ECLI:NL:HR:2022:1439

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 oktober 2022
Publicatiedatum
13 oktober 2022
Zaaknummer
21/01277
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 AWRArt. 47a AWRArt. 52 AWRArt. 52a AWRArt. 53 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid inspecteur tot het geven van een tweede informatiebeschikking na intrekking eerste informatiebeschikking

Belanghebbende, een onderneming actief in taxi, autohandel en installatiewerkzaamheden, werd geconfronteerd met een eerste informatiebeschikking wegens het niet verstrekken van gevraagde informatie in het kader van een boekenonderzoek. Nadat belanghebbende alsnog aan haar informatieplicht voldeed, werd de eerste informatiebeschikking vernietigd. Vervolgens gaf de inspecteur een tweede informatiebeschikking uit hoofde van vermeende schending van administratie- en bewaarplichten.

Het geschil betrof de vraag of de inspecteur bevoegd was om deze tweede informatiebeschikking te geven nadat de eerste was ingetrokken. Het hof oordeelde dat dit was toegestaan omdat de tweede beschikking betrekking had op andere verplichtingen dan de eerste en dat er geen sprake was van détournement de pouvoir of schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verduidelijkte dat de bevoegdheid tot het geven van een volgende informatiebeschikking niet beperkt is zolang deze ziet op andere tekortkomingen dan de eerdere beschikking. De Hoge Raad verwierp het beroep in cassatie en oordeelde dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet zijn geschonden.

De Hoge Raad zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt de bevoegdheid van de inspecteur tot het geven van een tweede informatiebeschikking na intrekking van de eerste.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/01277
Datum14 oktober 2022
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden van 9 februari 2021, nr. 19/01155 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. 17/264) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven informatiebeschikking.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 25 november 2021 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2] Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1.1 Belanghebbende heeft een taxibedrijf en houdt zich daarnaast bezig met de handel in en de reparatie van auto’s en het verrichten van installatiewerkzaamheden.
2.1.2 In het kader van een voorgenomen boekenonderzoek heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht om informatie. Omdat belanghebbende de gevraagde informatie na herhaalde verzoeken daartoe niet heeft verstrekt, heeft de Inspecteur met dagtekening 28 mei 2013 ten aanzien van belanghebbende een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a, lid 1, AWR gegeven wegens het niet-voldoen aan de verplichtingen bedoeld in artikel 47, lid 1, aanhef en letters a en b, artikel 47a en artikel 53, lid 1, aanhef en letter b, AWR (hierna: de eerste informatiebeschikking).
2.1.3 Bij brief van 3 maart 2015 heeft de Inspecteur de eerste informatiebeschikking vernietigd, omdat belanghebbende inmiddels had voldaan aan haar verplichting mee te werken aan het boekenonderzoek.
2.1.4 Op 3 april 2015 heeft de Inspecteur opnieuw ten aanzien van belanghebbende een informatiebeschikking gegeven (hierna: de tweede informatiebeschikking). De tweede informatiebeschikking heeft hij gegeven omdat belanghebbende volgens de Inspecteur niet heeft voldaan aan de administratieplicht van artikel 52, lid 1, AWR en aan de bewaarplicht van artikel 52, lid 4, AWR.
2.2.1 Voor het Hof was in geschil of het de Inspecteur nog vrij stond om de tweede informatiebeschikking te geven.
2.2.2 Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur de tweede informatiebeschikking mocht geven omdat die informatiebeschikking – anders dan de eerste informatiebeschikking – niet ziet op schending van de plicht om informatie te verstrekken, maar op schending van de administratie- en bewaarplicht. Volgens het Hof is er geen rechtsregel die de inspecteur verbiedt om in zo’n situatie een tweede informatiebeschikking te geven. Verder heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur met het geven van de tweede informatiebeschikking niet het verbod van détournement de pouvoir heeft geschonden, evenmin als het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en/of het vertrouwensbeginsel.

3.Beoordeling van de middelen

3.1
Middel 1 is gericht tegen de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof.
Bevoegdheid tot het geven van een of meer informatiebeschikkingen
3.2.1
Indien de inspecteur bij informatiebeschikking heeft vastgesteld dat de betrokkene met betrekking tot een op te leggen belastingaanslag niet of niet volledig heeft voldaan aan een of meer in artikel 52a, lid 1, AWR bedoelde verplichtingen, is de inspecteur als regel niet langer bevoegd om een volgende informatiebeschikking te geven met betrekking tot dezelfde tekortkoming(en) waarvoor die eerdere informatiebeschikking is gegeven. [3] De enkele omstandigheid dat de inspecteur tweemaal informatie heeft gevraagd op grond van hetzelfde artikel uit de AWR, is niet voldoende om aan te nemen dat het om dezelfde tekortkoming gaat. Van dezelfde tekortkoming is bijvoorbeeld wel sprake wanneer de inspecteur op grond van artikel 47 AWR Pro opnieuw om dezelfde informatie heeft gevraagd en de belastingplichtige deze niet heeft verstrekt.
3.2.2
In een geval als dit doet zich niet de situatie voor waarin een volgende informatiebeschikking betrekking heeft op dezelfde tekortkoming(en) als die waarvoor de eerdere informatiebeschikking is gegeven. De vraag of de betrokkene heeft voldaan aan zijn informatieverplichting(en) als bedoeld in artikel 47, artikel 47a en artikel 53, lid 1, aanhef en letter b, AWR staat immers los van de vraag of hij heeft voldaan aan zijn administratie- en/of bewaarplicht als bedoeld in artikel 52 AWR Pro. [4]
3.3
Middel 1 faalt voor zover het uitgaat van een andere opvatting dan hiervoor in 3.2.1 en 3.2.2 is weergegeven.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
3.4
Ook bij het uitoefenen van de bevoegdheid om een volgende informatiebeschikking te geven, moet de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen. De enkele omstandigheid dat de inspecteur een informatiebeschikking heeft gegeven wegens het niet of niet volledig voldoen aan een of meer in artikel 52a, lid 1, AWR bedoelde verplichtingen, brengt niet mee dat het geven van een volgende informatiebeschikking wegens een andere tekortkoming in strijd komt met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Dit is niet anders als de inspecteur de eerdere informatiebeschikking heeft vernietigd voorafgaand aan het geven van de volgende informatiebeschikking.
3.5
Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur, vanaf het moment waarop belanghebbende alsnog voldeed aan de informatieplicht van artikel 47 AWR Pro, in staat werd gesteld de administratie van belanghebbende te beoordelen. Als uit deze beoordeling blijkt dat die administratie niet voldoet aan de daaraan door artikel 52 AWR Pro gestelde eisen, is het naar het oordeel van het Hof niet in strijd met het verbod van détournement de pouvoir of met het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en/of het vertrouwensbeginsel dat de Inspecteur een nieuwe informatiebeschikking ter zake daarvan neemt. Deze oordelen van het Hof houden in dat de omstandigheden van dit geval geen aanleiding geven om strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur aan te nemen. Deze oordelen geven, gelet op hetgeen hiervoor in 3.4 is overwogen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige kunnen deze oordelen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk.
Middel 1 faalt dan ook voor zover het betoogt dat de tweede informatiebeschikking is gegeven in strijd met een of meer algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
3.6
Ook voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van de middelen voor het overige is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.A. Fierstra, E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2022.

Voetnoten

3.Vgl. HR 17 december 1980
4.Vgl. HR 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:822, rechtsoverweging 3.2.3.