Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
15 november 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een mishandelingszaak waarbij de verdachte werd veroordeeld wegens het slaan van de aangever in het gezicht op 12 september 2019. De bewezenverklaring steunt op het proces-verbaal van de aangever, een getuige en de verklaring van de verdachte.
De verdediging stelde zich op het standpunt dat de verklaring van de aangever onbetrouwbaar was, onderbouwd met concrete tegenstrijdigheden en verschillen in verklaringen, en vroeg om vrijspraak wegens onvoldoende bewijs. Het hof gebruikte de verklaring van de aangever als bewijs, maar gaf niet in het bijzonder de redenen aan waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging.
De Hoge Raad oordeelt dat dit in strijd is met artikel 359, tweede lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, dat vereist dat het hof bij afwijzing van een uitdrukkelijk onderbouwd verweer de motieven daarvan in het arrest vermeldt. Omdat het hof dit naliet, vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe berechting.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering door het hof bij het afwijzen van een krachtig en onderbouwd verweer, ter waarborging van de rechtsbescherming van de verdachte.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.