Conclusie
1.Inleiding
zeven cassatiemiddelenvoor: het Hof heeft (i) ten onrechte geoordeeld dat [B] een particulier belang dient, nu de statutaire doelstelling en het uitkeringsverbod in art. 2:285(3) BW uitkeringen aan de erflaatster, de belanghebbende of familieleden uitsluiten; (ii) miskend dat [B] met de verhuur van de panden het stichtingsbelang diende en niet individuele belangen van familieleden; (iii) miskend dat de term 'meer dan bijkomstig' in art. 2.14a(2) Wet IB 2001 er niet aan in de weg staat dat incidenteel uitkeringen aan bijvoorbeeld familieleden van de inbrenger worden gedaan; (iv) ten onrechte geoordeeld dat de panden geheel door de erflaatster zijn afgezonderd in de zin van art. 2.14a(3) Wet IB 2001, omdat een deel aan hem had moeten worden toegerekend; (v) ten onrechte geoordeeld dat de belanghebbende niet het bewijs ex art. 2.14a(6) Wet IB 2001 heeft geleverd dat hij nooit begunstigd kan worden door/uit het APV, gelet op de statutaire doelstelling en het genoemde uitkeringsverbod; (vi) verzuimd te oordelen dat het APV-regime in casu het eigendomsrecht van art. 1 Protocol Pro I EVRM schendt doordat de belanghebbende individueel een buitensporige last wordt opgelegd; (vii) art. 21 Sw Pro geschonden door bij de waardering van de panden geen rekening is gehouden met de leegwaarde-ratio hoewel de panden waren verhuurd.
verweerstelt de Staatssecretaris dat het uitkeringsverbod niet verhindert dat [B] ’s vermogen aan de erflaatster wordt toegerekend omdat het er om gaat of met het APV feitelijk een meer dan bijkomstig particulier belang is gediend, hetgeen hier het geval is. Het Hof heeft terecht vastgesteld dat de erflaatster de panden heeft ingebracht in [B] . Voor de stelling dat de erfbelasting leidt tot een individuele en buitensporige last, is volgens hem feitenonderzoek nodig waarvoor in cassatie geen plaats is. Om ex art. 21 Sw Pro de lagere waardering volgens leegwaarderatio in aanmerking te nemen, had de belanghebbende moeten stellen en aannemelijk maken dat zijn geval onder die regeling valt. Dat kan niet alsnog in cassatie omdat het om een ontoelaatbaar
novumgaat.
uitkeringenaan oprichters, inbrengers of hun familieleden, zoals de belanghebbende lijkt te betogen, maar ook om feitelijke begunstiging zoals in casu door terbeschikkingstelling van panden aan de belanghebbende en zijn gezin(sleden). Het Hof heeft vastgesteld dat [B] niets anders (meer) deed dan verhuur van de panden en dat zij een of meer ervan ter beschikking heeft gesteld van de belanghebbende en zijn gezin(sleden). De brieven van de erflaatster aan de belanghebbende laten er verder weinig twijfel over bestaan dat juist het
niet-particuliere belang bij de exploitatie van de vier panden kennelijk volstrekt bijkomstig was. Ik meen dat het Hof op basis daarvan kon oordelen dat die exploitatie meer dan bijkomstig ten bate van de erflaatster, de belanghebbende en/of andere familieleden kwam. Ook middel (iii) strandt.
verdelingvan die afzondering: de panden moeten volgens dit middel niet alleen aan de erflaatster worden toegerekend, maar ook aan de belanghebbende. Ik meen dat die klacht doel treft. Uit de vastgestelde feiten volgt dat ook de belanghebbende zich net als zijn moeder hoofdelijk als schuldenaar heeft verbonden voor [B] ’s leningen tot financiering van de panden en dat ook hij zekerheid heeft verstrekt op vermogen waartoe hij al medegerechtigd was. ’s Hofs uitspraak heldert niet op waarom in die omstandigheden het gehele vermogen alleen aan de erflaatster is toegerekend en niet deels ook aan de belanghebbende, die evenzeer voldeed aan de criteria op basis waarvan het Hof de panden heeft toegerekend aan de erflaatster. Als er meer inbrengers/afzonderaars zijn, moet het afgezonderde vermogen naar rato van de waarde van hun inbreng toegerekend worden aan de inbrengers.
nova(mate van huurbescherming en individuele-lastbeoordeling) en worden daarom vergeefs voorgesteld.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
middel (i)heeft het Hof ten onrechte of onvoldoende gemotiveerd geoordeeld dat een meer dan bijkomstig particulier belang werd beoogd. Het uitkeringsverbod van art. 2:285(3) BW verhindert dat de stichtingen uitkeren aan de belanghebbende of dat een eventueel batig liquidatiesaldo aan hem toekomt. Bovendien is de statutaire doelstelling:
BNB2012/89 en HR 17 februari 2012, nr. 10/05460,
BNB2012/146 (zie 7.8 hieronder). Volgens de belanghebbende geldt net zoals bij een ziekenhuis of een school dat bij het nastreven van het eigen doel van de organisatie ook het belang van de patiënten c.q. de leerlingen wordt gediend: dat het belang van de huurders – onder wie de belanghebbende – bij huisvesting wordt gediend, neemt niet weg dat [B] in de eerste plaats haar eigen belang bij de verhuur diende, aldus de belanghebbende. Haar activiteiten zijn niet daardoor gericht op de particuliere belangen van de inbrengster of dier familieleden.
middel (iii)heeft het Hof heeft miskend dat de term 'meer dan bijkomstig' er niet aan in de weg staat dat incidenteel uitkeringen aan bijvoorbeeld familieleden van de inbrengster worden gedaan. Uit ‘s Hofs overwegingen blijkt niet dat de door hem vastgestelde uitkering meer was dan een incident. Het Hof heeft (de activiteiten die) het particuliere belang (dienden) niet afgezet tegen de totale activiteiten (het totale vermogen) van [B] . Volgens de parlementaire behandeling kan het begrip 'meer dan bijkomstig' zien op zowel de activiteiten (activiteitentoets) als op de aard en de grootte van het vermogen (vermogenstoets).
middel (v)heeft het Hof ten onrechte de belanghebbende niet geslaagd geacht in het bewijs bedoeld in art. 2.14a(6) Wet IB 2001 dat hij nooit begunstigde van het APV kan zijn. Gezien het uitkeringsverbod van art. 2:285(3) BW en de statuten van [B] is het juridisch onmogelijk om aan de belanghebbende uit te keren. De belanghebbende verwijst naar zijn toelichting op middel (i).
verweerbetoogt de Staatssecretaris ad de middelen (i) t/m (iii) en (v) dat uit HR
BNB1986/16 [3] volgt dat het uitkeringsverbod niet verhindert dat het vermogen van een stichting voor particuliere belangen kan worden gebruikt. De stichting kan niet als zelfstandig worden beschouwd als de desbetreffende particulieren over het vermogen van de stichting kunnen beschikken als ware het hun eigen vermogen. Het gaat erom of
feitelijkparticuliere belangen worden gediend. ’s Hofs oordeel dat meer dan bijkomstig particuliere belangen worden gediend, is een oordeel over de feiten en voldoende gemotiveerd en begrijpelijk. De Staatssecretaris verwijst naar r.o. 5.10 van de Hofuitspraak, waaruit onder meer volgt dat de erflaatster en de belanghebbende de met de vastgoedexploitatie behaalde winst wilden delen en dat ook een woning aan de belanghebbende en aan zijn zoon ter beschikking werd gesteld. Gezien de door het Hof geciteerde uitlatingen van de erflaatster en de aard van de activiteiten van de stichting acht de Staatssecretaris ook voldoende aannemelijk dat het zowel op basis van de activiteitentoets als op basis van de vermogenstoets meer dan bijkomstig gaat om het dienen van een particulier belang.
novumin cassatie. Om een lagere waarde van de panden op basis van een leegwaarderatio in aanmerking te kunnen nemen, had de belanghebbende bij de feitenrechter moeten stellen en aannemelijk maken dat zijn geval onder die waarderingsregeling valt. Dat heeft hij niet gedaan en in cassatie is dat niet meer mogelijk.
repliekkomt neer op herhaling van de standpunten en argumenten in zijn cassatieberoepschrift. Hij benadrukt met name opnieuw dat de statutaire doelstelling van de stichting geen uitkeringen aan hem toelaat. De Staatssecretaris heeft niet gedupliceerd.
4.De regels
Achtergrond en wetsgeschiedenis van het afgezonderde particuliere vermogen (art. 2.14a Wet IB)
trust, een
Anstaltof een stichting. Vermogen en inkomen dat anders buiten de reikwijdte van de inkomsten- of erfbelasting gebracht zou kunnen worden, wordt onder het APV-regime belast. De MvT vermeldt daarover onder meer: [5]
trusts, Stiftunge, Treuhändeof stichtingen particulier fonds, maar ook aan Nederlandse verenigingen of stichtingen. De MvT vermeldt daarover: [13]
6.Rechtspraak
BNB1986/16 [18] volgt dat ook vóór invoering van het APV-regime een insteller (feitelijke) beschikkingsmacht kon behouden ondanks een wettelijk uitkeringsverbod:
BNB2021/111 [19] betrof een belanghebbende wiens overleden vader een Liechtensteinse
Stiftunghad ingesteld waarin vader vermogen had ingebracht. De belanghebbende achtte het APV-regime op grond van HR
BNB2015/152 [20] niet van toepassing omdat de
Stiftunggeen discretionair karakter zou hebben, nu het afgezonderde vermogen volgens de statuten moest toekomen aan vaders nazaten binnen 100 tot 150 jaar. De belanghebbende zou dus een – rechtstreeks aan hem toebehorende – juridisch afdwingbare aanspraak hebben, zodat er geen zwevend (discretionair) vermogen zou zijn waarvoor het APV-regime is bedoeld. Op basis van de vaststellingen van de feitenrechters verwierp u dat betoog, waarbij u doel en werking van het APV-regime uiteenzette:
BNB1986/16 geldt: de inbrenger kan (feitelijk) over het in een stichting aanwezige vermogen beschikken als ware het zijn eigen vermogen. Voor zover anderen in rechte afdwingbare aanspraken op dat vermogen zouden hebben, wordt het stichtingsvermogen waarover de inbrenger nog steeds (feitelijk) kan beschikken in zoverre fiscaalrechtelijk verminderd met de alsdan kennelijk civielrechtelijk reële schuld van de stichting of mogelijk van de inbrenger zelf jegens die derde.
eigennützige Privatstiftungmet één gerechtigde. Dat verzoek werd afgewezen omdat die
Stiftungniet de (uiteindelijk) opbrengstgerechtigde was; dat was volgens de feitenrechters de achterliggende natuurlijke persoon. De belanghebbende betoogde onder meer dat uw transparantierechtspraak (zie 6.1 hierboven) achterhaald zou zijn door de invoering van het APV-regime. De conclusie in die zaak vermeldt daarover:
BNB1986/16 (zie 6.1. hierboven) nog steeds staat en dat aan het APV-regime niet wordt toegekomen als de fiscaalrechtelijke conclusie moet zijn dat de insteller/inbrenger/afzonderaar over het stichtingsvermogen kan beschikken alsof het van hemzelf is:
BNB1986/16; zie 6.1 hierboven; PJW] heeft de Hoge Raad onder meer geoordeeld dat, indien vaststaat dat een belastingplichtige over het in een stichting aanwezige vermogen kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen, het in de stichting aanwezige vermogen voor de heffing van de inkomstenbelasting wordt behandeld als ware het vermogen van de belastingplichtige zelf. Dit betekent dat ook de opbrengsten van het hiervoor bedoelde vermogen voor die heffing worden behandeld als waren zij opbrengsten van die belastingplichtige zelf en dat die belastingplichtige voor de heffing van de inkomstenbelasting als genieter in de plaats treedt van de stichting. Voor de heffing van dividendbelasting en vennootschapsbelasting is het vorenstaande niet anders. [24] . Wat de dividendbelasting betreft, is de genieter dan de opbrengstgerechtigde.
De middelen (i), (ii) en (iii) – meer dan bijkomstig een particulier belang dienen
BNB1986/16 volgt dat ook vóór de invoering van art. 2.14a Wet IB 2001 al gold dat fiscaalrechtelijk door juridische verhulsels als een stichtingsvorm wordt heen gekeken als de stichter/bestuurder over het stichtingsvermogen kan beschikken alsof het van hemzelf is.
BNB2023/34 [27] verwierp u op basis van art. 81 Wet Pro RO ongemotiveerd een beroep op het uitkeringsverbod in art. 2:285(3) BW door (de erven van) een belanghebbende die haar eigen woning had verkocht aan een stichting opgericht door haar broer als haar gevolmachtigde met als statutair doel onder meer behartiging van de vermogensrechtelijke belangen van de belanghebbende en na haar overlijden van haar broers en zussen. De stichting verhuurde de woning aan de belanghebbende en deels aan derden. De Inspecteur merkte de stichting aan als APV en belastte de woning in 2014 t/m 2016 als eigen woning, waardoor de huurinkomsten belast waren. Annotator Boer achtte de verwerping van het beroep op het uitkeringsverbod terecht:
BNB2012/89 [32] en HR
BNB2012/146 [33] waarnaar de belanghebbende verwijst, gaan over algemeen nut beogende instellingen en houden in dat aan het dienen van het algemeen nut niet wordt afgedaan doordat met de activiteiten ook bijkomstig particuliere belangen worden gediend. Die rechtspraak lijkt mij niet relevant, nu het Hof heeft vastgesteld dat [B] geen algemeen belang dient, gegeven dat zij geen activiteiten verricht binnen haar statutaire doelstelling, maar alleen vastgoed exploiteert. Van een bijkomstig neveneffect is dus geen sprake. Het particuliere belang staat volgens ’s Hofs vaststellingen juist voorop. Met name de door het Hof geciteerde brieven van belanghebbendes moeder laten daarover weinig onduidelijkheid bestaan. ‘s Hofs oordeel dat [B] feitelijk geen algemeen maatschappelijk belang dient is feitelijk, niet onbegrijpelijk en ruim voldoende gemotiveerd. Ook middel (ii) strandt.
uitkeringenaan oprichters, inbrengers of hun familieleden, zoals de belanghebbende lijkt te betogen, maar ook om feitelijke begunstiging van particuliere belangen zoals in casu door terbeschikkingstelling om niet of voor een te lage prijs van panden aan de belanghebbende en zijn gezin(sleden) of door het overlaten van huurinkomsten aan de belanghebbende of zijn gezin(sleden). Het Hof heeft vastgesteld dat [B] niets anders (meer) deed dan verhuur van de panden, en een of meer ervan ter beschikking heeft gesteld van de belanghebbende en zijn gezin(sleden). De door het Hof geciteerde brieven van de erflaatster aan de belanghebbende laten er verder weinig twijfel over bestaan dat juist het
niet-particuliere belang bij de exploitatie van de vier panden kennelijk volstrekt bijkomstig was. Ik meen dat het Hof op basis daarvan kon oordelen dat die exploitatie meer dan bijkomstig ten bate van de erflaatster, de belanghebbende en/of andere familieleden kwam.
uitkeringin geld mogelijk niet heel vaak (incidenteel) voorkwam, doet niet ter zake: het gaat om het dienen van een particulier belang in welke vorm dan ook. Het Hof kon heel wel oordelen dat die dienstbaarheid zich structureel voordeed. ‘s Hofs oordeel is mijns inziens gebaseerd op de juist maatstaf en voor het overige feitelijk, geenszins onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Ook middel (iii) strandt.
Middel 4 – is het (gehele) vermogen door de erflaatster (of mede door de belanghebbende) afgezonderd?
gezamenlijkebankrekening van de erflaatster en de belanghebbende.
9.Middel 5 – bewijs van niet-begunstigbaarheid (art. 2.14a(6) Wet IB 2001)
feitelijkniet in aanmerking zou kunnen komen voor voordelen onttrokken uit (het vermogen of de huurinkomsten van) [B] , van wie hij en zijn zoon kennelijk nog steeds om niet of voor een te lage prijs huren, laat staan dat hij dat overtuigend aantoont. Dit middel moet daarom het lot van middel (i) delen.
10.Middelen 6 en 7 – buitensporige last en leegwaarderatio
novum.
novum.