ECLI:NL:HR:2022:1741
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep in cassatie wegens onvoldoende aannemelijkheid beroepsmatige rechtsbijstand
Belanghebbende voerde beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag over aan hem in rekening gebrachte invorderingskosten. De kern van het geschil betrof de vraag of proceskostenvergoeding toekomt voor rechtsbijstand die beroepsmatig door een derde is verleend.
De Belastingsamenwerking betwistte dat de gemachtigde van belanghebbende, [A], beroepsmatig rechtsbijstand verleende. Zij voerde aan dat [A] niet ingeschreven staat bij de Kamer van Koophandel, geen bedrijf voert en mogelijk met pensioen is. Ook werd gesteld dat belanghebbende zelf een incassobureau en juridisch adviesbureau drijft en als professionele gemachtigde optreedt.
De Hoge Raad oordeelde dat op grond van deze onvoldoende betwiste feiten niet aannemelijk is dat [A] beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend. Daarom werd het verzoek tot vergoeding van proceskosten afgewezen en het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Tevens werd vastgesteld dat het belang van belanghebbende bij het cassatieberoep beperkt is tot proceskostenvergoeding, nu het compromis tussen partijen uitvoerbaar is geworden.
De Hoge Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en wees het beroep in cassatie af wegens niet-ontvankelijkheid.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van beroepsmatige rechtsbijstand.