Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Beslissing
20 december 2022.
Hoge Raad
In deze strafzaak werd verdachte beschuldigd van smaadschrift door het openbaar maken van een beledigende Facebook-uitlating over een betrokkene. Tijdens het hoger beroep werd een exceptie op grond van artikel 261 lid 3 Sr Pro schriftelijk ingebracht, maar niet uitdrukkelijk ter terechtzitting voorgedragen. Het hof interpreteerde het verweer als een beroep op artikel 10 EVRM Pro over vrijheid van meningsuiting en wees het beroep op een bijzondere strafuitsluitingsgrond af.
De advocaat-generaal adviseerde vernietiging van het arrest voor zover het de tenlastelegging en strafoplegging betrof, met terugwijzing naar het hof. De Hoge Raad bevestigde echter dat geen rechtsregel bestaat die een rechter verplicht te beslissen op een schriftelijk, niet uitdrukkelijk voorgedragen verweer. Dit bevordert de proceshelderheid en waarborgt dat het Openbaar Ministerie zich kan uitlaten over het verweer.
De Hoge Raad vond de uitleg van het hof niet onbegrijpelijk en verwierp het cassatieberoep. Ook andere klachten tegen het arrest werden afgewezen zonder nadere motivering. Daarmee blijft het hofarrest in stand en wordt het beroep van verdachte verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling wegens smaadschrift.