Conclusie
als bijlage 1 aan deze pleitnota gehecht. [onderstreping van mij, MvW]
U voorzitter vraagt mij waar de aangetroffen 107.000 euro vandaan komt. Dit is spaargeld dat ik heb ontvangen uit mijn zakelijke kas, privé kas en uit mijn onderneming.”
Op 1 januari 2015 (typefout rechtbank moet zijn 2013, MVG) had ik een privékas van 18.700 euro. Op 1 januari 2013 had ik een zakelijke kas van 3.605 euro. Aan winst had ik 53.000 euro over 2013, 5.300 euro over 2014 en 37.787 euro over 2015.”
Op 1 januari 2015 heb ik voor boekjaar 2014 een bedrag van 59.500 euro aangegeven als contante kas, 12.000 euro voor de zakelijke kas en in 2015 heb ik door mijn werk nog ongeveer 35.000 euro verdiend.”
Om te bepalen hoeveel legaal contant geld de veroordeelde aan het begin van de onderzoeksperiode had, is onderzoek verricht naar de bankafschriften van de bankrekeningen van de veroordeelde”
“Evenmin mag het Hof van de verdachte verlangen dat hij steeds een nadere onderbouwing van zijn verklaring verschaft door middel van schriftelijke bescheiden”
“2.4.2 Hel hof heeft geoordeeld dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van de geldbedragen heeft gegeven. Daaraan heeft het hof ten grondslag gelegd dat de verdachte, ondanks door hem gedane toezeggingen, de betreffende bankafschriften en kwitanties niet heeft overgelegd, en niet heeft verzocht de kwitanties aan het dossier toe te voegen. Aldus heeft het hof zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd, nu die omstandigheden niet afdoen aan de door de verdachte gegeven verklaring omtrent de verkoop van motoren door [betrokkene 1], waarna de verdachte aflossingen van [betrokkene 1] zou hebben ontvangen, en de inkomsten uit een erfenis, alsmede de mogelijkheid daarnaar nader onderzoek te doen. Dat wordt niet anders doordat bewaartermijnen van de bank “mogelijk’’ zijn verstreken. Mede gelet op hetgeen het hof in zijn overwegingen overigens heeft vastgesteld, is de bewezenverklaring voor zover inhoudend dat het geldbedrag “afkomstig was uit enig misdrijf’, niet toereikend gemotiveerd.”
Ik betaalde huur contant.’’ en
Ja ik heb 2.000 euro borg moeten betalen.”
Waarvoor was de lening van 35.000 euro bestemd die u kennelijk in 2015 aan uw dochter [betrokkene 2] heeft verstrekt.
“Waarvoor was de lening van 20.000 euro bestemd die u kennelijk in 2013 aan uw dochter [betrokkene 2] heeft verstrekt?
“Per jaar betaal ik ongeveer 3.500 euro per jaar aan stageld.
De € 107.000,- lag opgeborgen in mijn kantoor. Dat betrof spaargeld van mijn vrouw en mij. Het is van de bank gehaald om een chalet in Zuid-Frankrijk te kunnen kopen. De verkoper wilde het contant hebben. Dit bedrag is altijd opgegeven aan de belastingdienst, ik zie daar niets strafbaars in. Het was toen in ieder geval het idee om het zo te doen. Ik heb sinds 2006 een eigen bedrijf en sinds 2006 haal ik geld van de bank. Ik haal het niet in één keer van de bank. Ik heb in de onderzoeksperiode van 1 januari 2013 tot en met de dag van de aanhouding (afgerond) € 359.000,- ter beschikking gehad. Voor die tijd heb ik ook omzet en winst gemaakt met het bedrijf. Ik heb er ook aangifte van gedaan bij de belastingdienst dat ik een bedrag in kas had. Ik ben in ieder geval op 1 januari 2013 met een contante kas begonnen en die kas is in de jaren erna gegroeid.
“Feit 1
Indien de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs. (Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352.)” [2]
eerste deelklachthoudt in dat het hof bij de beoordeling van de door de verdachte afgelegde verklaringen over de herkomst van de aangetroffen gelden een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. De in dat kader door het hof gebezigde woorden “zodanig onwaarschijnlijk”, “op geen enkele wijze onderbouwd” en “aannemelijk” zouden erop wijzen dat het hof is afgeweken van het door de Hoge Raad gehanteerde criterium dat de verklaring van de verdachte concreet, verifieerbaar en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijk dient te zijn.
vijfde deelklachthoudt in dat het hof is afgeweken van een aantal uitdrukkelijk onderbouwde standpunten zonder daarvoor (genoegzaam) de redenen op te geven. Het gaat dan om de verklaringen die de verdachte heeft gegeven voor de legale herkomst van de aangetroffen € 107.000,-, met name over de aanwezigheid van kasgeld op 1 januari 2013, contante inkomsten over 2015, een contant terugbetaalde lening door de vader van de verdachte en contant geld gegeven door de schoonvader van de verdachte. De stellers van het middel verwijzen hiervoor naar de pleitnota voor de zitting van het hof van 8 september 2021.
tweede, derde en vierde deelklachthouden in essentie in dat het hof niet, dan wel niet niet-begrijpelijk of niet voldoende gemotiveerd het hiervoor onder 2.8 aangehaalde kader heeft toegepast.
eerste deelklachthoudt in dat het oordeel van het hof dat de verdachte een bedrag van € 100.000,- voorhanden heeft gehad “terwijl hij wist dat dit geld bedrag – (…) middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf” onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed.
tweede deelklachtkomt op tegen het oordeel van het hof dat de kwalificatie-uitsluitingsgrond op het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag van € 100.000,- niet van toepassing is. [10]
“Strafbaarheid van het bewezenverklaard
eerste deelklachthoudt in dat het hof de grondslag van het onder 2 ten laste gelegde heeft verlaten door ten laste van de verdachte bewezen te verklaren dat hij heeft verstrekt “een hoeveelheid van ongeveer 1379 gram van een materiaal betreffende hennep”, terwijl ten laste was gelegd “een hoeveelheid van ongeveer 6565 gram (…) van een materiaal bevattende hennep”. In dat verband wordt aangevoerd dat het onduidelijk is waar de tenlastegelegde 6565 gram op gebaseerd was en dat het hof het verschil in gewicht niet heeft verklaard zodat niet onaannemelijk is dat die 6565 gram op iets anders betrekking heeft dan de bewezenverklaarde 1379 gram. Daarnaast zou de tenlastelegging geen ruimte laten voor het bewezen verklaren van een veel lagere hoeveelheid hennep dan de ongeveer 6565 gram die ten laste was gelegd.
tweede deelklachthoudt in dat de bewijsvoering niet redengevend is voor het onder 2 bewezenverklaarde. In dat verband wordt erop gewezen dat uit bewijsmiddel 3 volgt dat de zwartkleurige zak vermoedelijk toppen van een cannabisplant bevat, maar dat niet is vastgesteld dat dit daadwerkelijk hennep betreft en dat het hof niet heeft vastgesteld dat de verbalisanten bijvoorbeeld hennep hebben geroken. Ook het bewijs voor het gewicht van 1379 gram hennep zou ontoereikend zijn, omdat het hof niet heeft vastgesteld dat zich in de zwarte zak nog andere voorwerpen bevonden.