Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
23 december 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een erfgenaam die verzet aantekent tegen een slotuitdelingslijst van de vereffenaar van een nalatenschap. De nalatenschap werd beneficiair aanvaard na het overlijden van de moeder van de erfgenaam in 2014. De rechtbank benoemde de vereffenaar in 2015. Nadat de erfgenaam in 2016 verzet had aangetekend tegen een uitdelingslijst, verklaarde de kantonrechter dit verzet ongegrond en het hof verklaarde de erfgenaam niet-ontvankelijk in hoger beroep.
De erfgenaam diende vervolgens een verzoekschrift in waarin hij de brief van de vereffenaar uit 2018 als nieuwe slotuitdelingslijst aanmerkte en opnieuw verzet aantekende tegen de finale afwikkeling. Zowel de kantonrechter als het hof verklaarden hem niet-ontvankelijk. Het hof oordeelde dat tegen een beschikking op verzet waarbij niet-ontvankelijkheid wordt vastgesteld, geen hoger beroep mogelijk is maar alleen cassatie.
Daarnaast veroordeelde het hof de erfgenaam in de proceskosten van de vereffenaar wegens misbruik van procesrecht, omdat hij ondanks kennis van de uitsluiting van hoger beroep toch een tweede verzetprocedure startte over reeds onherroepelijk besliste kwesties. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de kostenveroordeling, waarbij het hof de motivering en toepassing van het misbruikcriterium als begrijpelijk en voldoende gemotiveerd beoordeelde.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de niet-ontvankelijkheid van het verzet en veroordeelt de erfgenaam in de proceskosten wegens misbruik van procesrecht.