In deze civiele zaak ging het om het hoger beroep van verzoeker tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn verzet tegen de uitdelingslijst van de nalatenschap van zijn moeder. De rechtbank had het verzet van verzoeker afgewezen omdat het voorstel van de vereffenaar geen nieuwe slotuitdelingslijst betrof waartegen verzet openstaat.
Verzoeker betoogde dat het voorstel een tussentijdse uitdelingslijst was en dat hij wel degelijk belang had bij verzet. Hij stelde ook dat hij niet tijdig cassatie kon instellen door ontbrekende processtukken. De vereffenaar stelde dat het hoger beroep niet ontvankelijk was vanwege appelverbod en dat verzoeker misbruik van procesrecht maakte door herhaalde procedures.
Het hof oordeelde dat het hoger beroep niet ontvankelijk is omdat tegen een beschikking op verzet waarbij niet-ontvankelijk is verklaard geen hoger beroep openstaat, maar wel cassatie. De doorbrekingsjurisprudentie geldt niet in deze situatie. Tevens achtte het hof het verzoek van de vereffenaar tot proceskostenveroordeling terecht vanwege het overschrijden van de hoge drempel van misbruik van procesrecht. Verzoeker werd veroordeeld in de werkelijke proceskosten van € 2.500, vermeerderd met nakosten en rente.