Uitspraak
1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht en hiervoor een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens Track&Trace afgeleverd op het opgegeven adres.
Ondanks deze kennisgeving is het griffierecht niet voldaan. De griffier heeft daarop op 11 oktober 2021 een bericht in het digitale dossier geplaatst en een notificatie verzonden naar het e-mailadres van belanghebbende, waarin gelegenheid werd geboden om te reageren op de niet-betaling. Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb is het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen. Het arrest is op 14 januari 2022 in het openbaar gewezen door de vice-president en twee raadsheren.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.