ECLI:NL:HR:2022:344
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over prijsgeven aanspraak na-indexatie pensioen
Belanghebbende, een BV, had een geschil met de Staatssecretaris van Financiën over een naheffingsaanslag loonbelasting wegens vermeende prijsgeving van het recht op na-indexatie van pensioen bij overdracht van pensioenverplichtingen.
De pensioenbrief uit 1989 bepaalde dat pensioenen zoveel mogelijk worden aangepast aan de prijsontwikkeling. In 2012 droeg de rechtsvoorganger van belanghebbende de pensioenverplichting over aan een BV, waarbij geen rekening werd gehouden met na-indexatie. De Inspecteur stelde dat hierdoor het recht op na-indexatie was prijsgegeven en dat de waarde van deze aanspraak als loon moest worden belast.
Het hof oordeelde dat het recht op na-indexatie een aanspraak op pensioen is en dat die bij overdracht was vervallen, waardoor prijsgeving had plaatsgevonden. De Hoge Raad stelde echter dat het hof niet had vastgesteld of de voorwaarde van prijsgeving door de pensioengerechtigde was geaccepteerd of ingetrokken. Hierdoor was het oordeel onvoldoende gemotiveerd en werd het arrest vernietigd en verwezen naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.
De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris in de kosten van het cassatiegeding en bepaalde dat het griffierecht aan belanghebbende wordt vergoed.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond, vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor verdere behandeling.