Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en vaststaande uitgangspunten
3.Procesverloop
4.Juridisch kader ontvankelijkheid
5.Juridisch kader onrechtmatigheid
Fiscaalrechtelijk beoordelingskader
6.Juridisch kader gegevensverstrekking
Wet inkomensafhankelijke huurverhoging en Reparatiewet
7.Bespreking van het principale cassatiemiddel
8.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
9.Conclusie
de Woonbond) spreekt op zijn website daarom van ‘gluurverhogingen’. [1]
Awr) is de Belastingdienst verplicht tot geheimhouding van fiscale gegevens. Art. 67 lid Pro 2, onder a, Awr bevat op die regel een uitzondering, indien een wettelijk voorschrift de Belastingdienst verplicht tot het verstrekken van informatie aan derden. Volgens de Woonbond was er in de periode van 16 maart 2013 tot 1 april 2016 geen sprake van een wettelijke verplichting voor de Belastingdienst om fiscale gegevens te verstrekken. De Woonbond beroept zich daartoe op een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 februari 2016 (hierna:
de ABRvS-uitspraak). [2] Met ingang van 1 april 2016 is reparatiewetgeving in werking getreden.
ontvankelijkheidvan de Woonbond aan de orde. De discussie spitst zich toe op de vraag of de mogelijkheid voor individuele huurders om langs bestuursrechtelijke weg de rechtmatigheid van de gegevensverstrekking ter discussie te stellen – in het kader van een verzoek om gegevenswissing dan wel een verzet of bezwaar tegen de gegevensverwerking door de Belastingdienst – in de weg staat aan ontvankelijkheid van een collectieve actie als de onderhavige. De Woonbond pleit voor een minder strikte ontvankelijkheidstoets voor belangenorganisaties. Voor ontvankelijkheid zou niet zijn vereist dat zij opkomen voor de gebundelde belangen van individuele personen voor wie geen met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat. [4]
schadeplichtigis jegens de betrokken groep scheefwoners. Ook het hof heeft daar op gewezen. [6] In deze procedure, die wordt beheerst door art. 3:305a (oud) BW, vordert de Woonbond geen schadevergoeding.
2.Feiten en vaststaande uitgangspunten
sociale huurwoningen) wordt op basis van het woningwaarderingsstelsel bepaald. De huurprijs van sociale huurwoningen mag jaarlijks met niet meer dan een vastgesteld percentage worden verhoogd. [8]
Wet inkomensonafhankelijke huurverhoging). Deze wet heeft onder meer geleid tot de invoering van art. 7:252a BW en art. 19b Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (
Uhw). [11]
extrate verhogen ten opzichte van het reguliere basishuurverhogingspercentage. [12] Daarbij worden verschillende inkomenscategorieën gehanteerd. [13] Per categorie geldt een maximaal huurverhogingspercentage. [14]
inkomenscategoriehet huishoudinkomen van de huurder valt. De verhuurder ontvangt een bestand met de door hem opgegeven adressen en (indien het huishoudinkomen bekend is) een vermelding van de categorie waarin het desbetreffende adres valt. [16]
AVG [17] ) van toepassing geworden en is de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna:
Wbp [18] ), die strekte ter implementatie van Richtlijn 95/46/EG (hierna:
de Privacyrichtlijn), ingetrokken. [19] Verwerkingen van inkomensverklaringen tot die datum dienen nog te worden getoetst aan de Wbp.
de Reparatiewet). [21] Met ingang van 1 april 2016 kwam art. 7:252a lid 3 BW daardoor als volgt te luiden:
De inspecteur verstrekt…’) in gewijzigd. [22] Art. 7:252a lid 4, eerste volzin, BW luidt sindsdien:
3.Procesverloop
geheimhoudingsplichtdie is opgenomen in art. 67 Awr Pro. In het verlengde hiervan heeft de Woonbond zich beroepen op schending van art. 21f Awr, het
verbod op doorleveringvan inkomensgegevens uit de basisregistratie inkomen (hierna:
BRI). Verder heeft de Woonbond aangevoerd dat de verstrekking van inkomensverklaringen aan verhuurders onrechtmatig is wegens strijd met art. 8 Wbp Pro (het
grondslagvereistevoor de verwerking van persoonsgegevens) en art. 8 EVRM Pro (meer in het bijzonder de beginselen van
proportionaliteit en subsidiariteit). Ten slotte heeft de Woonbond zich beroepen op onverbindendheid van art. 7:252a BW – ook ná de Reparatiewet van 1 april 2016 – wegens strijd met het in art. 6 lid 1 onder Pro b van de Privacyrichtlijn neergelegde
doelbindingsbeginsel. [25]
verstrekkingenregimevan art. 7:252a BW.
tijdvak I) onrechtmatig heeft gehandeld jegens huurders, door inkomensverklaringen over die huurders te verstrekken aan verhuurders;
tijdvak II) onrechtmatig heeft gehandeld jegens huurders, door inkomensverklaringen over die huurders te verstrekken aan verhuurders; en
Wamca). [31] Die wet zou leiden tot schrapping van de regel in art. 3:305a lid 3 (oud) BW, dat een collectieve actie niet kan strekken tot schadevergoeding in geld. De Wamca is uiteindelijk per 1 januari 2020 in werking getreden, ná de pleidooizitting in appel van 26 september 2019. [32] Tegen deze achtergrond heeft de Woonbond tijdens die pleidooizitting vordering III ingetrokken. [33] Bij akte van 29 september 2020 heeft de Woonbond nog gepoogd daarvan terug te komen, maar het hof heeft geoordeeld dat het daarvoor te laat was en dat vordering III hoe dan ook niet toewijsbaar was geweest. Een en ander is in cassatie niet bestreden. [34]
ontvankelijkheidoverweegt het hof, samengevat, het volgende:
Wns). [41] Op grond van dat recht kon tegen een beslissing van de minister op een verzoek om vergoeding van schade als gevolg van het beweerdelijk onrechtmatig verstrekken door de inspecteur van inkomensverklaringen (na bezwaar) geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld (rov. 5.10).
inhoudelijke beoordelingoverweegt het hof, samengevat, het volgende:
proportionaliteit en subsidiariteitvan de gegevensverstrekking overweegt het hof dat eveneens faalt de stelling van de Woonbond dat de gegevensverstrekking in strijd is met art. 8 EVRM Pro omdat niet is voldaan aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Met de Afdeling [43] is het hof van oordeel dat de wetgever bij de weging van het belang van bescherming van het recht op privéleven van de huurders enerzijds en de belangen van de huurwoningmarkt anderzijds, in redelijkheid tot de gemaakte keuzes heeft kunnen komen (rov. 5.15).
doelbindingsbeginseloverweegt het hof:
conclusie:
gegevensverstrekkingin de periode tot 1 april 2016 niet in de weg staat aan rechtsgeldigheid van de inkomensafhankelijke
huurprijsverhogingenin diezelfde periode (rov. 5.24-5.25). Het hof overweegt dat ‘niet in geschil is dat de huurverhogingen op zichzelf juist zijn berekend en dat (…) uit de wetsgeschiedenis en de snelle reparatiewetgeving per 1 april 2016 blijkt dat het van meet af aan de bedoeling van de wetgever is geweest om inkomensafhankelijke huurverhogingen mogelijk te maken met gebruikmaking van door de Inspecteur af te geven inkomensverklaringen’ (rov. 5.26, voorlaatste volzin). In de procedure tegen Lieven de Key is geen cassatieberoep ingesteld.
4.Juridisch kader ontvankelijkheid
niet-ontvankelijkte worden verklaard in zijn vordering of verzoek, indien de rechtsgang bij een andere rechter – bijvoorbeeld de strafrechter of de bestuursrechter – ter zake van het geschil ‘voldoende rechtsbescherming’ biedt. [46] In oudere rechtspraak wordt gesproken van een ‘met voldoende waarborgen omklede rechtsgang’. [47] Deze rechtspraak houdt in dat de civiele rechter ‘aanvullende rechtsbescherming’ biedt, voor zover de rechtsgang bij andere rechters tekortschiet. De civiele rechter wordt in dit verband ook wel aangeduid als ‘restrechter’. [48]
algemeen verbindende voorschriften, zoals in dit geval art. 7:252a (oud) BW. De wetgevende macht wordt ingevolge art. 1:1 lid Pro 2, aanhef en onder a, Awb niet als bestuursorgaan aangemerkt. Voorts kan ingevolge art. 8:3 lid Pro 1, aanhef en onder a, Awb geen beroep worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een algemeen verbindend voorschrift. [49] Een en ander betekent dat de rechtmatigheid en verbindendheid van wet- en regelgeving als zodanig niet ter toetsing aan de bestuursrechter kunnen worden voorgelegd. Wel kan de bestuursrechter bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een besluit in de zin van art. 1:3 Awb Pro de rechtmatigheid van het daaraan ten grondslag liggende algemeen verbindende voorschrift toetsen. [50] Dit wordt exceptieve toetsing genoemd, omdat de onrechtmatigheid meestal bij wijze van verweer (‘exceptie’) door de belanghebbende wordt aangevoerd.
niet-ontvankelijkworden verklaard. Deze rechtspraak berust op de gedachte dat het uit een oogpunt van een ‘behoorlijke taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter’ niet wenselijk is dat tegelijkertijd (of achtereenvolgens) voor beide rechters procedures over de rechtmatigheid en verbindendheid van (dezelfde) algemeen verbindende voorschriften worden gevoerd, met het risico van een verschillende uitkomst. [51] Men spreekt in dat verband ook wel van de specialisatiegedachte.
uitlokken, door het aanvragen en/of aanvechten van een appellabel besluit, op straffe van niet-ontvankelijkheid van zijn vordering bij de civiele rechter. Op deze grond werd niet-ontvankelijkheid aangenomen in de arresten
Staat/Vreemdelingenorganisatiesuit 2010 (over de rechtmatigheid van een legesregeling voor de aanvraag van een verblijfsvergunning), [52] Staat/Privacy Firstuit 2015 (over de rechtmatigheid van een wettelijke verplichting tot het afstaan van vingerafdrukken bij de aanvraag van een paspoort) [53] en
SCAU/Universiteitenuit 2016 (over de rechtmatigheid van regelgeving inzake de hoogte van het collegegeld bij inschrijving voor een tweede masterstudie). [54]
SCAU/Universiteitenheeft de Hoge Raad verduidelijkt dat het zojuist bedoelde ‘uitlok-vereiste’ alleen geldt indien het betrokken voorschrift eerst tot toepassing komt door een besluit dat voor bezwaar en beroep vatbaar is en de belanghebbende derhalve de werking van dat voorschrift uitsluitend ondervindt langs de weg van een daarop gebaseerd besluit. Indien de belanghebbende de werking van het betrokken voorschrift
rechtstreeksondervindt, dus zonder tussenkomst van besluitvorming door een bestuursorgaan, is de belanghebbende in beginsel wél ontvankelijk in een vordering bij de burgerlijke rechter die erop is gericht een oordeel over de verbindendheid of de rechtmatigheid van het voorschrift te verkrijgen, ook indien de mogelijkheid bestaat om ter zake een beslissing van de bestuursrechter te verkrijgen door een voor beroep vatbaar besluit uit te lokken. [55]
Leenders/Ubbergenuit 1996, betreffende een levensmiddelenhandelaar die de rechtmatigheid van een gemeentelijk ventverbod bestreed. Volgens de Hoge Raad kon, met het oog op ‘een doeltreffende, waarborgen tegen misverstanden biedende regeling van rechtsbescherming tegen de overheid’, niet van deze handelaar worden gevergd dat hij de ‘weinig voor de hand liggende weg’ van het bestuursrecht zou bewandelen, oftewel dat hij zich door doelbewuste schending van het gewraakte verbod zou blootstellen aan het risico van bestuursdwang (of zelfs strafvervolging). [56] Denkbaar is verder dat een bij de civiele voorzieningenrechter ingestelde vordering tot buitenwerkingstelling van een ministeriële regeling of ander algemeen verbindend voorschrift ontvankelijk wordt geacht als die vordering is gebaseerd op generieke gronden (zoals het ontbreken van een deugdelijke wettelijke grondslag). [57]
hoofdregel), tenzij de belanghebbende de werking van het desbetreffende voorschrift rechtstreeks ondervindt, in welk geval ook de civiele rechter kan worden geadieerd (de
uitzondering). In dat laatste geval wordt dus het risico van tegenstrijdige uitspraken voor lief genomen, omwille van een doeltreffende en waarborgen tegen misverstanden biedende rechtsbescherming als bedoeld in het arrest
Leenders/Ubbergen. Overigens wordt in de literatuur gepleit voor
inhoudelijke afstemmingtussen de bestuursrechtspraak en de civiele rechtspraak over toetsing van algemeen verbindende voorschriften, teneinde mét behoud van een doeltreffende rechtsbescherming toch zoveel mogelijk uitvoering te geven aan de specialisatiegedachte, die aan de hoofdregel ten grondslag ligt. [58]
Staat/Privacy First, indien zij (i) opkomt voor belangen van personen die terzake
geen rechtsinganghebben bij de bestuursrechter (inclusief de uitzonderingsgevallen waarin het bewandelen van de bestuursrechtelijke weg niet van belanghebbenden kan worden gevergd) of voor zover zij (ii) opkomt voor een
eigen belangwaarvoor zij geen rechtsingang heeft bij de bestuursrechter. [62] De onder (i) bedoelde situatie deed zich voor in het arrest
Staat/VAJN en NJCMuit 2004. Daarin is geoordeeld dat de Vereniging voor Asieladvocaten en -Juristen Nederland (VAJN) en het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (NJCM) in een civiele procedure konden opkomen tegen vreemdelingenrechtelijke regelgeving en dat de bestuursrechtelijke rechtsingang voor individuele asielzoekers daaraan niet in de weg stond, omdat (zo verduidelijkte de Hoge Raad in
Staat/Privacy First) VAJN en NJCM mede opkwamen voor de gebundelde belangen van
advocatendie vreemdelingen bijstaan, voor welke belangen geen bestuursrechtelijke rechtsingang bestond. [63]
SCAU/Universiteitenis bekritiseerd. Volgens sommige auteurs heeft de Hoge Raad daarin teveel van studenten gevergd, door de eis te stellen dat zij zich inschrijven voor een tweede studie met verschuldigdheid van het gewraakte collegegeld tot gevolg, op straffe van niet-ontvankelijkheid van een collectieve actie bij de civiele rechter over de rechtmatigheid van die regeling. [66]
wettelijke verplichtingna te komen waaraan de verantwoordelijke onderworpen is;
publiekrechtelijke taakdoor het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt, of
behartiging van het gerechtvaardigde belangvan de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert.”
c-grondbehoefde (en behoeft)
geen expliciete opdrachttot de gegevensververwerking te bevatten. [71] Wel werd de eis gesteld dat de wettelijke verplichting
voldoende duidelijkis wat de voorgeschreven verwerking van persoonsgegevens betreft, zo blijkt uit de ‘
Legitimate interest opinion’ van de zogeheten Artikel 29-Groep van vertegenwoordigers van de nationale privacyautoriteiten, ingesteld op grond van art. 29 van Pro de Privacyrichtlijn. [72] Thans is dit duidelijkheidsvereiste – dat zijn oorsprong vindt in de rechtspraak van het EHRM over art. 8 lid 2 EVRM Pro [73] – uitgewerkt in punt 41 van de considerans van de AVG, dat luidt:
duidelijk en nauwkeurigzijn, en de toepassing daarvan moet
voorspelbaarzijn voor degenen op wie deze van toepassing is, zoals vereist door de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie („Hof van Justitie”) en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.” [74]
e-grondwas (en is) géén vereiste dat de gegevensverwerking plaatsvindt krachtens een wettelijke verplichting. Wel was (en is) vereist dat de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van een
publiekrechtelijke taak [75] én dat die taakvervulling berust op een
wettelijke grondslag. Deze wettelijke grondslag moet voldoen aan dezelfde vereisten als een wettelijke verplichting in de zin van de c-grond (duidelijkheid, nauwkeurigheid en voorspelbaarheid). [76] Evenals de c-grond biedt de e-grond
geen zelfstandige grondslagvoor de gegevensverwerking: de e-grond omschrijft alleen waaraan een elders gevonden grondslag (een wettelijk verankerde publiekrechtelijke taak) moet voldoen. [77] Kenmerkend voor de e-grond is dat deze een zekere
beoordelingsruimteaan de verwerkingsverantwoordelijke overlaat: hij is niet verplicht, maar uit hoofde van zijn publieke taak wel bevoegd tot de gegevensverwerking. [78] De e-grond fungeert, in elk geval naar huidig recht, als een soort vangnet voor de overheid: voor zover de c-grond toepassing mist, zal in de regel de e-grond toepasselijk zijn op gegevensverwerkingen door de overheid. [79] De e-grond vertoont in dit opzicht gelijkenissen met de f-grond. [80]
f-grond(behartiging van gerechtvaardigde belangen) wordt van oudsher als ‘restgrond’ betiteld. [81] De f-grond geldt echter naar huidig recht (ingevolge art. 6 lid 1 onder Pro f, tweede volzin, AVG) níet voor de verwerking van persoonsgegevens door
overheidsinstantiesin het kader van de uitoefening van hun taken (zoals in dit geval de verstrekking van inkomensverklaringen door de Belastingdienst). [82] Hoewel onder het regime van de Privacyrichtlijn en de Wbp overheidsinstanties níet met zoveel woorden waren uitgesloten van de f-grond, werd ook toen al aangenomen dat de f-grond vooral voor gegevensverwerkingen in de private sector is bedoeld, aangezien overheidsinstanties in beginsel alleen persoonsgegevens mogen verwerken in het kader van de uitoefening van hun wettelijk omschreven taken en bevoegdheden. [83]
wettelijke verplichting van een derde(zoals in dit geval de verplichting van verhuurders in de sociale huursector om een inkomensverklaring te voegen bij een voorstel voor inkomensafhankelijke huurverhoging), biedt de c-grond geen grondslag, omdat die vereist dat de verwerkingsverantwoordelijke (in dit geval de inspecteur) zélf is onderworpen aan een wettelijke verplichting die tot de gegevensverwerking noodzaakt. [84] De f-grond kan in beginsel wél een grondslag bieden voor een zodanige gegevensverwerking, [85] maar is als gezegd naar huidig recht niet toepasselijk op (en naar oud recht minder geschikt voor) gegevensverwerking door de overheid. De
e-grondlijkt voor overheden de aangewezen grondslag voor een gegevensverwerking die noodzakelijk is ter voldoening van een wettelijke verplichting
van een derde.
gegevensverstrekking aan derdenter uitvoering van een publiekrechtelijke taak. Art. 8 onder Pro e Wbp suggereerde op het eerste gezicht van niet, nu daarin werd gesproken over een gegevensverwerking die noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het
bestuursorgaanwaaraan de gegevens worden verstrekt. Art. 7 onder Pro e van de Privacyrichtlijn sprak (ogenschijnlijk ruimer) over ‘de vervulling van een taak van algemeen belang of (…) de uitoefening van het openbaar gezag die aan de voor de verwerking verantwoordelijke of de derde aan wie de gegevens worden verstrekt, (…) is opgedragen’. Tegen deze achtergrond heeft Overkleeft-Verburg in haar annotatie bij de ABRvS-uitspraak betoogd ‘dat bij de implementatie van de e-grond in de Wbp de aan de derde-ontvanger gestelde eisen zijn opgehoogd via het vereiste van het zijn van bestuursorgaan’. [86]
ontvangstvan persoonsgegevens dóór een bestuursorgaan ván een voor de verwerking verantwoordelijke derde. Met deze toevoeging werden dus geen extra eisen gesteld aan de
derde-ontvanger, maar werd de
derde-verstrekkeronder het bereik van de e-grond gebracht, in lijn met de tekst van art. 7 onder Pro e van de Privacyrichtlijn. [87] Art. 6 lid 1 onder Pro e AVG spreekt thans van een verwerking die noodzakelijk is voor ‘de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen’. Deze formulering bevestigt dat aan de
verwerkingsverantwoordelijkede eis wordt gesteld dat hij een publieke taak uitoefent.
rechtsmiddelende rechthebbende ten dienste staan (en daarmee indirect voor de ontvankelijkheidsvraag die in deze cassatieprocedure voorligt). [88] Voor deze zaak zijn met name twee rechtsmiddelen van belang. Ten eerste het recht op (onder meer) verwijdering en afscherming van persoonsgegevens (art. 36 Wbp Pro), thans ook ‘gegevenswissing’ of ‘vergetelheid’ genoemd (art. 17 AVG Pro), hierna:
recht op gegevenswissing. Ten tweede het recht van verzet (art. 40 Wbp Pro), thans ‘bezwaar’ geheten (art. 21 AVG Pro), hierna:
recht van verzet. [89]
UAVG) [90] procesrechtelijke voorzieningen getroffen, die grotendeels aansluiten bij het stelsel van rechtsbescherming onder de Wbp. [91]
bestuursorgaan, golden als appellabele besluiten in de zin van de Awb. [92] Art. 34 UAVG Pro bepaalt thans hetzelfde voor de beslissing op een verzoek krachtens de artikelen 15 tot en met 22 AVG, waaronder een beslissing op een verzoek om gegevenswissing (art. 17 AVG Pro) of een bezwaar (art. 21 AVG Pro). [93]
bestuursrechtelijkekolom. Ik ga nu nader in op het niveau van rechtsbescherming dat de twee genoemde bestuursrechtelijke rechtsmiddelen de rechthebbende bieden.
e-grond(een publieke taak) of de
f-grond(behartiging van gerechtvaardigde belangen). Ik citeer de desbetreffende bepalingen met de bijbehorende overwegingen uit de considerans:
rechtmatige verwerkingop grond van een algemeen belang, de uitoefening van het openbaar gezag of het rechtmatig belang van een persoon, iedere betrokkene evenwel het recht dient te hebben om zich op grond van zwaarwegende en gerechtvaardigde redenen die met
zijn specifieke situatieverband houden tegen verwerking van hem betreffende gegevens te
verzetten; dat de lidstaten evenwel de mogelijkheid hebben andersluidende nationale bepalingen vast te stellen.”
artikel 7, onder e) en f), te allen tijde om zwaarwegende en gerechtvaardigde redenen die verband houden met
zijn bijzondere situatieertegen te
verzettendat hem betreffende gegevens het voorwerp van een verwerking vormen, behoudens andersluidende bepalingen in de nationale wetgeving. In geval van gerechtvaardigd verzet mag de door de voor de verwerking verantwoordelijke persoon verrichte verwerking
niet langerop deze gegevens betrekking hebben;
artikel 8, onder e en f, kan de betrokkene daartegen bij de verantwoordelijke te allen tijde
verzetaantekenen in verband met zijn
bijzondere persoonlijke omstandigheden.”
rechtmatigmogen worden verwerkt omdat de verwerking nodig is ter vervulling van een
taak van algemeen belangof in het kader van de
uitoefening van het openbaar gezagdat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend, dan wel op grond van de
gerechtvaardigde belangenvan een verwerkingsverantwoordelijke of een derde, dient een betrokkene
niettemin bezwaarte kunnen maken tegen de verwerking van
gegevens die op zijn specifieke situatie betrekking hebben. De verwerkingsverantwoordelijke moet aantonen dat zijn
dwingende gerechtvaardigde belangen wellicht zwaarder wegendan de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene.”
specifieke situatieverband houdende redenen
bezwaarte maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens op basis van artikel 6, lid 1, onder e) of f), van artikel 6, lid 1, met inbegrip van profilering op basis van die bepalingen. De verwerkingsverantwoordelijke
staakt de verwerkingvan de persoonsgegevens tenzij hij dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking aanvoert die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokkene of die verband houden met de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering.”
hoogstpersoonlijkvan aard. Verzet kan alleen worden ingesteld in verband met ‘bijzondere persoonlijke omstandigheden’ aan de zijde van de rechthebbende (art. 40 lid 1 Wbp Pro), respectievelijk vanwege ‘met zijn specifieke situatie verband houdende redenen’ (art. 21 lid 1 AVG Pro).
zuiver casuïstischkarakter. Het rechtsmiddel noopt de verwerkingsverantwoordelijke tot een
belangenafweging(zoals art. 21 lid 1 AVG Pro expliciteert), op grond van de actuele persoonlijke situatie van de rechthebbende. [94]
rechtmatige gegevensverwerking, immers een gegevensverwerking die berust op de e-grond (een publieke taak) of de f-grond (behartiging van een gerechtvaardigd belang).
louter toekomstgerichtkarakter. Honorering van het verzet betekent niet dat de aangevochten gegevensverwerking in het verleden onrechtmatig is geweest, maar uitsluitend dat zij in de toekomst moet worden gestaakt (zoals art. 14 onder Pro a van de Privacyrichtlijn expliciteert met de woorden ‘niet langer’). De memorie van toelichting bij art. 40 Wbp Pro vermeldde dienovereenkomstig dat het artikel zich richt op ‘een rechtmatige gegevensverwerking, die pas onrechtmatig wordt nadat de betrokkene op grond van een bijzondere situatie verzet aantekent en dit verzet gerechtvaardigd wordt geacht’. [95] In verband hiermee wordt het recht van verzet in de literatuur ook wel ‘blokkeringsrecht’ genoemd. [96]
niet tot schadeplichtigheidvan de verwerkingsverantwoordelijke. [97] Het verzet noopt enkel tot een
heroverwegingvan de gegevensverwerking voor de toekomst. De te beantwoorden vraag is of de verwerking wegens bijzondere, bijkomende omstandigheden moet worden beëindigd.
beoordelingsruimtebeschikt. Vandaar dat tegen een gegevensverwerking op de
c-grond(een wettelijke verplichting) geen verzet openstaat. [98]
te verwijderen, of af te schermenindien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins
in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.”
wissingvan hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen en de verwerkingsverantwoordelijke is verplicht persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen wanneer een van de volgende gevallen van toepassing is:
bezwaartegen de verwerking, en er zijn geen prevalerende dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking, of de betrokkene maakt bezwaar tegen de verwerking overeenkomstig artikel 21, lid 2;
onrechtmatig verwerkt; (…)”
niet van toepassingvoor zover verwerking nodig is: (…)
wettelijke verwerkingsverplichtingdie op de verwerkingsverantwoordelijke rust, of voor het vervullen van een
taak van algemeen belang of het uitoefenen van het openbaar gezagdat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend; (…).”
c-grondof op de
e-grondberust (art. 17 lid 3 AVG Pro). De achterliggende gedachte is dat het rechtmatig moet zijn om persoonsgegevens langer te bewaren wanneer dat noodzakelijk is voor de nakoming van een
wettelijke verplichtingof de uitoefening van een
publieke taak. [100]
onrechtmatigegegevensverwerking. Die functie vervult het rechtsmiddel vandaag de dag nog steeds, nu art. 17 lid 1 onder Pro d AVG wissing van persoonsgegevens mogelijk maakt op de grond dat die ‘onrechtmatig verwerkt’ zijn.
art. 36 Wbp Prode meest voor de hand liggende bestuursrechtelijke route voor het aanvechten van een beweerdelijk onrechtmatige verstrekking van inkomensverklaringen. Ook de rechtspraak van de Afdeling gaat (inmiddels) hiervan uit (zie hierna, 6.42). Onder het regime van de AVG lijkt het corresponderende
art. 17 AVG Proop het eerste gezicht niet voor toepassing op deze situatie in aanmerking te komen, althans indien men aanneemt dat de verstrekking van inkomensverklaringen op de e-grond berust (zoals hiervoor bepleit in 4.20 en 4.21). Gegevensverwerkingen op de c-grond en de e-grond zijn immers uitgesloten van het recht op vergetelheid (art. 17 lid 3 AVG Pro). Men bedenke echter dat die uitsluiting pas aan de orde komt
nadatis vastgesteld dat de betreffende verwerkingsgrond zich voordoet. Als de belanghebbende het standpunt inneemt dat van meet af aan een wettelijke grondslag voor de verwerking heeft ontbroken (zodat noch de c-grond, noch de e-grond voor toepassing in aanmerking komt), kan hij aanspraak maken op gegevenswissing op de grond dat de persoonsgegevens ‘onrechtmatig verwerkt’ zijn in de zin van art. 17 lid 1 onder Pro d AVG.
5.Juridisch kader onrechtmatigheid
verbodenhetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de
persoon of zaken van een anderblijkt of wordt meegedeeld,
verder bekend te makendan
noodzakelijkis voor de
uitvoering van de belastingwet of voor de invordering van enige rijksbelastingals bedoeld in de Invorderingswet 1990 (
geheimhoudingsplicht).
geldt nietindien:
wettelijk voorschrifttot de bekendmaking verplicht;
regeling van Onze Minister [103] is bepaald dat bekendmaking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een
publiekrechtelijke taakvan een bestuursorgaan;
andere gevallendan bedoeld in het tweede lid kan Onze Minister
ontheffingverlenen van de geheimhoudingsplicht. [104]
duidelijke en meer transparante wettelijke regelinginzake gegevensverstrekking door de Belastingdienst die beantwoordt aan de
nationale en internationale normen van privacybescherming. De regeling zal hiermee voldoen aan de door de Registratiekamer verwoorde vereisten, te weten:
voldoende specifiek;
noodzaak van gegevensverstrekkingin verband met bepaalde maatschappelijke belangen;
rol van de Belastingdienst is duidelijkin het kader van de verwantschap in taken en verantwoordelijkheden;
invulling gegeven aan het gegevensverkeer;
zo veel mogelijk openheidbetracht. Hierna wordt op deze vereisten ingegaan.” [105]
geheimhoudingsplicht(het eerste lid) zijn in de memorie van toelichting als volgt omschreven:
soms privacy-gevoelige, informatie over belastingplichtigente verzamelen, is de betekenis van de geheimhoudingsplicht groot. Naast het
algemene belang van bescherming van persoonsgegevensgaat het om het
belang dat personen niet van het verstrekken van gegevens aan de Belastingdienst moeten worden weerhoudendoor de vrees dat die gegevens voor andere doeleinden worden gebruikt dan voor een juiste en doelmatige uitvoering van de belastingwet.” [106]
uitzonderingsgronden(het tweede lid) vermeldt de memorie van toelichting:
duidelijk aangegeven in welke gevallen de fiscale geheimhoudingsplicht niet geldt. Daardoor is sprake van een veel beperkter ontheffingenstelsel dan onder de huidige regeling van toepassing is. Naast bekendmaking van gegevens over de belastingplichtige zelf die door of namens de belastingplichtige al eerder zijn verstrekt, zal gegevensverstrekking in het
merendeel van de gevallengebaseerd zijn op een
wettelijk voorschriftof op een
ministeriële regelingen slechts in een relatief beperkt aantal gevallen op een ontheffing van de Minister van Financiën. Dit alles maakt de wettelijke regeling
voldoende specifiek.” [108]
BRI). In dat kader wees de wetgever ook op de mogelijkheid van
doorlevering [109] van inkomensgegevens aan
derden, niet-bestuursorganen:
heersende gedachtewordt steeds sterker dat
burgers dezelfde gegevens niet vaker dan eenmaal aan de overheid hoeven te verstrekken. Die gedachte is ook een
belangrijk uitgangspunt bij de invoering van basisregistraties. De bestuursorganen mogen de van de Belastingdienst afkomstige gegevens
doorleveren aan andere bestuursorganenindien een wettelijk voorschrift daartoe verplicht. Voor
doorlevering aan derden, niet-bestuursorganen, is tevens vereist dat een wettelijke bepaling de mogelijkheid van doorlevering aan de desbetreffende derden biedt.” [110]
mogelijkheidvan doorlevering aan de desbetreffende derden biedt’, suggereert dat voor doorlevering aan derden minder strenge eisen gelden dan voor doorlevering aan bestuursorganen, waarvoor volgens het citaat slechts plaats is indien een wettelijk voorschrift daartoe
verplicht. Aan te nemen valt (mede gelet op het woord ‘tevens’) dat in beide situaties moet zijn voldaan aan het vereiste van een wettelijk voorschrift als bedoeld in art. 67 lid 2 onder Pro a Awr (of één van de andere in die bepaling genoemde uitzonderingen). Het stelsel van doorlevering van inkomensgegevens uit de BRI (art. 21 e.v. Awr) maakt wél doorlevering krachtens een bij wet verleende
bevoegdheidmogelijk, maar is alleen van toepassing op doorlevering aan
bestuursorganen.
implicietewettelijke verplichting tot gegevensverstrekking wijs ik nog op de volgende passage uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 67 Awr Pro, waar de minister suggereerde dat een wettelijk
rechtop gegevensverstrekking (zoals – mogelijkerwijs – het recht van verhuurders op verstrekking van inkomensverklaringen door de Belastingdienst) gelijkgesteld kan worden met een wettelijke
plichttot gegevensverstrekking als bedoeld in art. 67 lid 2 onder Pro a Awr:
wettelijk rechtheeft om gegevens van de Belastingdienst te
ontvangen, en de Belastingdienst
daarmee een plichtheeft om deze gegevens te
verstrekken, geldt de geheimhoudingsplicht niet. Dit is verwoord in het voorgestelde tweede lid, onderdeel a, van de geheimhoudingsbepalingen.” [111]
inkomensverklaringwordt gebaseerd op gegevens uit de BRI, zo blijkt ook uit art. 7:252a lid 4 BW, waarvan de derde volzin als volgt luidt:
inkomensgegeven in de basisregistratie inkomenbeschikbaar is, vermeldt de verklaring dat dat het geval is.”
geheimhoudingsplichtvan art. 67 Awr Pro en opgemerkt dat de meeste afnemers de gegevens uit de BRI zullen gebruiken voor de uitvoering van een inkomensafhankelijke regeling:
privacygevoeligheidvan het authentieke inkomensgegeven en de
geheimhoudingsplichtdie er op grond van artikel 67 op Pro rust een gesloten registratie en alleen beschikbaar voor daartoe bevoegde bestuursorganen.
afnemer» gedefinieerd als: een
bestuursorgaandat op grond van een wettelijk voorschrift bevoegd is tot gebruik van een inkomensgegeven. Het gebruik en de verstrekking van het privacygevoelige inkomensgegeven vergt een
wettelijke basisomdat in dat geval tenminste bij de totstandkoming van de wettelijke regeling de voor- en nadelen en mogelijke
risico’s voor de privacyonder ogen zijn gezien. Bij de besluitvorming over de toepassing van het authentieke inkomensgegeven zijn de verschillende belangen dan afgewogen.
meeste afnemerszullen het authentieke inkomensgegeven gebruiken voor de
uitvoering van een inkomensafhankelijke regeling. Het CBS is daarentegen een afnemer die de gegevens voor statistische doeleinden gebruikt.” [114]
doorleveringsverbod, dat ertoe strekt te waarborgen dat de door de Belastingdienst verstrekte inkomensgegevens uit de BRI alleen worden gebruikt door daartoe bevoegde bestuursorganen en dat er geen informatie ‘weglekt’. [115] Het artikel luidt:
op grond van een wettelijk voorschrift verleende bevoegdheidtot gebruik van dit gegeven.
niet bevoegd een inkomensgegeven verder bekend te makendan noodzakelijk voor de uitoefening van de hem verleende bevoegdheid.
verplichttot het gebruik van inkomensgegevens uit de BRI, voor zover zij een op grond van een wettelijk voorschrift verleende ‘bevoegdheid tot gebruik’ van het inkomensgegeven uitoefenen (als bedoeld in art. 21 onder Pro f en 21f lid 1 Awr). [116] Het verstrekkingenregime van de BRI
verruimtdus de fiscale gegevensverstrekking, en snoert die niet verder in dan art. 67 Awr Pro doet.
doelbindingsbeginselen op de daarmee samenhangende regels inzake verwerking van persoonsgegevens voor andere doeleinden dan die waarvoor zij oorspronkelijk zijn verkregen (hierna ook:
verdere verwerking). [117] Het doelbindingsbeginsel en de regels inzake verdere verwerking waren verankerd in art. 6 lid 1 Privacyrichtlijn Pro en art. 9 Wbp Pro. Thans zijn zij te vinden in art. 5 lid 1 en Pro 6 lid 4 AVG. Ik citeer weer de voor dit geding relevante bepalingen:
welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleindenmoeten worden verkregen en vervolgens
niet worden verwerkt op een wijze de onverenigbaar is met die doeleinden. Verdere verwerking van de gegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden wordt niet als onverenigbaar beschouwd, mits de lidstaten passende garanties bieden; (…)”
niet verder verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met de doeleindenwaarvoor ze zijn verkregen.
verwantschaptussen het doel van de beoogde verwerking en het doel waarvoor de gegevens zijn verkregen;
aard van de betreffende gegevens;
gevolgen van de beoogde verwerkingvoor de betrokkene;
wijze waarop de gegevens zijn verkregenen
passende waarborgen. (…)
achterwegevoor zover een
geheimhoudingsplichtuit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift daaraan in de weg staat.”
welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleindenworden verzameld en mogen vervolgens
niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt; de verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden wordt overeenkomstig artikel 89, lid 1, niet als onverenigbaar met de oorspronkelijke doeleinden beschouwd („
doelbinding”); (…).
verwerking voor een ander doeldan dat waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld niet berust op
toestemmingvan de betrokkene of op een
Unierechtelijke bepaling of een lidstaatrechtelijke bepalingdie in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel vormt ter waarborging van de in artikel 23, lid 1, bedoelde doelstellingen houdt de verwerkingsverantwoordelijke bij de beoordeling van de vraag of de verwerking voor een ander doel
verenigbaar is met het doelwaarvoor de persoonsgegevens aanvankelijk zijn verzameld onder meer rekening met:
verband tussen de doeleindenwaarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld, en de doeleinden van de voorgenomen verdere verwerking;
kader waarin de persoonsgegevens zijn verzameld, met name wat de
verhouding tussen de betrokkenenen de verwerkingsverantwoordelijke betreft;
aard van de persoonsgegevens, met name of bijzondere categorieën van persoonsgegevens worden verwerkt, overeenkomstig artikel 9, en of persoonsgegevens over strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten worden verwerkt, overeenkomstig artikel 10;
gevolgen van de voorgenomen verdere verwerkingvoor de betrokkenen;
passende waarborgen, waaronder eventueel versleuteling of pseudonimisering.”
andere doeleindenmogen worden gebruikt dan die waarvoor zij oorspronkelijk zijn verkregen, mits de verdere verwerking
niet onverenigbaaris met die oorspronkelijke doeleinden (hierna ook:
de verenigbaarheidseis). [120] Op grond van deze hoofdregel is verdere verwerking voor
verenigbaredoeleinden dus zonder meer geoorloofd, ook als voor die verdere verwerking geen wettelijke grondslag bestaat. [121] De achterliggende gedachte is dat het gebruik van persoonsgegevens voor een doel dat nauw samenhangt met het doel waarvoor de gegevens oorspronkelijk zijn verzameld, meestal niet op bezwaren stuit, immers doorgaans zal overeenkomen met het
verwachtingspatroonvan degene om wiens persoonsgegevens het gaat. [122] Verwerking voor
onverenigbaredoeleinden is daarentegen (om diezelfde reden) slechts onder strikte voorwaarden toegestaan, namelijk alleen met toestemming van de rechthebbende of op basis van een wettelijke regeling waarmee belangrijke doelstellingen van algemeen belang worden nagestreefd (art. 6 lid 4 AVG Pro en punt 50 van de considerans). [123]
gezichtspunten. [124] Deze gezichtspunten waren eertijds verankerd in art. 9 lid 2 Wbp Pro (een bepaling van zuiver nationale origine, zonder equivalent in de Privacyrichtlijn) en zijn thans (geïnspireerd door het ‘Nederlandse model’ [125] ) in deels herziene bewoordingen opgenomen in art. 6 lid 4 AVG Pro. In de literatuur wordt aangenomen dat, gelet op de zojuist besproken ratio van de verenigbaarheidseis (het verwachtingspatroon van rechthebbenden), de
mate van verwantschaptussen de doeleinden (art. 9 lid 2 onder Pro a Wbp en 6 lid 4 onder a AVG) het voornaamste en in de praktijk veelal doorslaggevende gezichtspunt is. [126]
publieke doeleinden(zoals in dit geval voor de belastingheffing enerzijds en de uitvoering van een inkomensafhankelijke regeling anderzijds) zal doorgaans sprake zijn van een zodanige mate van verwantschap tussen de doeleinden, dat reeds daarom aan de verenigbaarheidseis is voldaan. Steun voor deze gedachtegang is te vinden in de hiervoor in 5.9 geciteerde opmerking in de memorie van toelichting bij art. 21 onder Pro f Awr, inhoudend dat de meeste afnemers gegevens uit de BRI zullen gebruiken voor de uitvoering van een inkomensafhankelijke regeling. Diezelfde gedachtegang komt ook tot uitdrukking in de volgende passage uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 67 Awr Pro (die in de sleutel van de e-grond van art. 8 Wbp Pro stond):
artikel 8, onderdeel e, Wbplaten uitdrukkelijk de mogelijkheid open dat gegevens gebruikt worden ten behoeve van de
publiekrechtelijke taakdie door een ander bestuursorgaan wordt verricht. In dat opzicht bestaat er dan ook geen reden de gegevensuitwisseling te beperken tot bestuursorganen die tot taak hebben de uitvoering van inkomens- en vermogensafhankelijke regelingen. Artikel 9, eerste lid, Wbp bepaalt dat persoonsgegevens niet verder verwerkt mogen worden op een wijze die onverenigbaar is met de doeleinden waarvoor de gegevens zijn verkregen.
Indien persoonsgegevens voor meerdere publiekrechtelijke taken van belang zijn, zal er vaak verwantschap zijn tussen het doel waarvoor de gegevens oorspronkelijk zijn verkregen en het doel van de beoogde verwerking. In dat geval is sprake van
verenigbaar gebruik.
6.Juridisch kader gegevensverstrekking
wettelijke grondslagvoor de verstrekking van inkomensverklaringen door de Belastingdienst aan verhuurders in de sociale huursector.
weigerende inkomensverklaring te verstrekken, namelijk bij schending van die verplichtingen (lid 5). Met deze regeling is volgens de Staat een
uitzonderinggemaakt op de fiscale geheimhoudingsplicht, nu de regeling een wettelijk voorschrift inhoudt dat de Belastingdienst
verplichttot het verstrekken van informatie aan derden (in de zin van art. 67 lid 2 onder Pro a Awr). [128] Volgens de Staat ligt die verplichting besloten in art. 7.252a lid 3 BW, althans volgt die uit het samenstel van art. 7:252a BW en art. 19 b Uhw. [129]
door de inspecteur op verzoekvan die verhuurder aan deze
afgegeven verklaringgevoegd.”
inspecteur verstrekt op verzoekvan een verhuurder
een verklaringomtrent het huishoudinkomen aan de verhuurder.”
inspecteur verstrekt desgevraagdaan de verhuurder een
huishoudverklaring. (…)”
uitsluitend voor het doen van een voorstel tot verhoging van de huurprijsals bedoeld in het eerste lid van dat artikel.
bewaard totdatop het betrokken voorstel, bedoeld in artikel 7:252a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, onherroepelijk is beslist of de voorgestelde verhoging van de huurprijs geacht wordt te zijn overeengekomen.
administratiedat de juiste, volledige en tijdige vastlegging is gewaarborgd van de gegevens met betrekking tot het huishoudinkomen die verband houden met de toepassing van artikel 7: 252a, vierde tot en met zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek.
verplicht tot geheimhoudingvan die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.
verhuurder in strijd handelt met het eerste, tweede, derde of vierde lid[het doelbindingsbeginsel, de bewaarduur, de administratieplicht en de geheimhoudingsplicht] kan de inspecteur, bedoeld in artikel 7:252a, tweede lid, onderdeel e, van het Burgerlijk Wetboek, het
afgeven van de huishoudverklaring, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, van dat artikel,
weigeren.”
huurverhoging op grond van inkomen),
Stb.2013/89; wetsvoorstel 33 129; inwerkingtreding 16 maart 2013 (
Stb.2013/91);
huurverhoging op grond van een tweede categorie huishoudinkomens),
Stb.2013/90; wetsvoorstel 33 330; inwerkingtreding 16 maart 2013 (
Stb.2013/91);
gegevensverstrekking Belastingdienst),
Stb.2016/124; wetsvoorstel 34 374; inwerkingtreding 1 april 2016 (
Stb.2016/125).
Cbp), uitvoerig stilgestaan bij de doelmatigheid en de privacy-aspecten van het wetsvoorstel. De Raad van State toonde zich met name kritisch vanuit
doelmatigheidsoogpunt. Hij betoogde dat een inkomensafhankelijke huurverhoging de problematiek van ‘scheefwonen’ in de sociale huursector niet zou oplossen, zolang niet tevens de onderliggende problematiek van een
gebrekkig functionerende woningmarkt(onvoldoende doorstroommogelijkheden voor middeninkomens) werd aangepakt. [133] Vanuit privacy-oogpunt deed de Raad van State een tweetal technische aanbevelingen met betrekking tot de in art. 19a (thans 19b) leden 1 en 2 Uhw neergelegde verplichtingen voor verhuurders. [134]
privacy-oogpuntwas afkomstig van het Cbp. In een advies van 14 juni 2011 (voordat het eerste wetsvoorstel werd ingediend) had het Cbp kritische kanttekeningen geplaatst bij de onderbouwing van het wetsvoorstel in het licht van de beginselen van
proportionaliteit en subsidiariteitin de zin van art. 8 lid 2 EVRM Pro. In antwoord hierop is in de memorie van toelichting van 22 december 2011 onder meer gewezen op de
fiscale geheimhoudingsplicht. Aansluitend is uiteengezet dat de verstrekking van inkomensverklaringen (desondanks) gerechtvaardigd werd geacht (in de zin van art. 8 lid 2 EVRM Pro) met het oog op – samengevat – (i) bevordering van de doorstroming in de woningmarkt, (ii) beperking van de administratieve lasten voor verhuurders en huurders en (iii) bescherming van huurders tegen onredelijke huurverhogingsvoorstellen. [135]
legaliteitsvereiste. Daarop heeft de regering in de nota naar aanleiding van het verslag van 26 maart 2012 het volgende opgemerkt over de
wettelijke grondslagvan de gegevensverwerking:
voorzien bij wet» zijn.
Dit wetsvoorstel beoogt de benodigde wettelijke basis te verschaffen. Daarbij zijn enige
wezenlijke waarborgeningebouwd, waarvan de belangrijkste zijn:
voorschrift heel precies moet zijn. Mede op advies van het College bescherming persoonsgegevens, maar zeker ook op advies van de Raad van State, zijn in
artikel 19a van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimtedie
grondslagen heel nadrukkelijk aangegeven. Het college heeft ook aangegeven dat er
effectieve waarborgenmoeten zijn. Die hebben wij ook
in artikel 19aopgenomen, door bijvoorbeeld te bepalen dat verhuurders inkomensverklaringen uitsluitend voor het doel van de voorgestelde huurverhoging mogen gebruiken en dat zij de gegevens slechts mogen bewaren totdat die huurverhoging is overeengekomen of onherroepelijk is geworden.” [138]
ontheffing van de geheimhoudingsplichtte verlenen (in de zin van art. 67 lid 3 Awr Pro), opdat de verstrekking van inkomensverklaringen en inkomensafhankelijke huurverhogingen die daarop gebaseerd zouden worden nog datzelfde jaar konden plaatsvinden. Daarbij werd ook gewezen op art. III van het wetsvoorstel, [139] waarin
terugwerkende krachtwerd verleend aan de voorgestelde wetsbepalingen over (onder meer) de verstrekking van inkomensverklaringen. [140]
niet beroepen op artikel 8 aanhef Pro en onder c Wbp, waarin is bepaald dat persoonsgegevens mogen worden verwerkt indien de gegevensverwerking noodzakelijk is om een wettelijke verplichting na te komen waaraan de verantwoordelijke onderworpen is. Het
wetsvoorstel waarmee een zodanige wettelijke verplichting voor de Belastingdienst in het leven wordt geroepen, is immers
(nog) niet tot wet verheven. Daarom kan in het midden blijven of de beoogde wettelijke verplichting in overeenstemming is met artikel 8 EVRM Pro en andere, een ieder verbindende bepalingen van verdragen.” [141]
fiscale geheimhoudingsplichtvan art. 67 Awr Pro en bijgevolg in strijd met art. 9 lid 4 Wbp Pro (dus niet alleen wegens het ontbreken van een wettelijke verplichting in de zin van art. 8 onder Pro c Wbp). Art. 67 lid 3 Awr Pro bood volgens het Cbp geen grondslag voor het verlenen van een ontheffing. [143]
ratiovan de geheimhoudingsplicht en het
doelbindingsbeginsel.
wetsvoorstel indruist tegen het uitgangspunt dat "personen niet van het verstrekken van gegevens aan de Belastingdienst moeten worden weerhouden door de vrees dat die gegevens voor andere doeleinden worden gebruiktdan voor een juiste en doelmatige uitvoering van de Belastingwet".
Dat is precies wat hier gebeurt: het gebruiken van aan de Belastingdienst opgegeven gegevens voor een
ander doel dan waarvoor ze waren bestemd. Ook na aanpassing van het wetsvoorstel is het oordeel van het CBP negatief. Wat moet de PvdA-fractie hieruit concluderen als het gaat om het privacybeleid van dit kabinet?” [145]
zorgengehad over de uitvoering van de regeling
aangaande de privacy. Wij begrijpen dat het wanneer een huurverhoging gekoppeld wordt aan een inkomensafhankelijke regeling, onvermijdelijk is dat er inkomensgegevens verstrekt worden, in dit geval door de Belastingdienst. Het maakt daarbij een wezenlijk verschil of er concrete inkomensgegevens worden verstrekt, dan wel slechts een verklaring over de relatie tussen het inkomen en de grens van € 43.000. Met deze
specifieke grondslag in het wetsvoorstelwordt naar ons oordeel althans
formeel recht gedaan aan de fiscale geheimhoudingsplicht. Toch kunnen wij er niet omheen dat de voorgestelde gegevensverstrekking heel direct raakt aan het recht op de persoonlijke levenssfeer, zoals vastgelegd in artikel 8 van Pro het EVRM. De regering is van oordeel dat het verstrekken van inkomensgegevens op grond van het verdragsrechtelijke criterium social pressing need gerechtvaardigd is. (…) Het is voor mijn fractie een
belangrijke vraagof deze redenering
uit verdragsrechtelijk oogpunt valideis.” [146]
Met dit voorstel wordt dus de wettelijke grondslag gegeven voor het verstrekken van die inkomensverklaringen. Daarmee is naar onze stellige overtuiging geen grond meer voor de kritiek van het College bescherming persoonsgegevens, van de rechter in kort geding en van Kennedy Van der Laan. Immers, op het moment dat die wettelijke grondslag er is, mogen die gegevens wel worden verstrekt.” [147]
fiscale geheimhoudingsplichtcentraal stond. Het Cbp achtte de doorbreking van de geheimhoudingsplicht onvoldoende gemotiveerd in het licht van de beginselen van
proportionaliteit en subsidiariteit. Ik citeer de kernoverweging van het Cbp-advies, waarin viermaal de woorden ‘doorbreking van de geheimhoudingsplicht’ voorkomen:
doorbreking van de geheimhoudingsplichtvan de Belastingdienst maakt dit wetsvoorstel in het kader van de beginselen van proportionaliteit en de subsidiariteit voor burgers
extra ingrijpend. In dit geval zullen immers de
gegevens van de Belastingdienstvoor
andere doeleinden dan voor een juiste en doelmatige uitvoering van de belastingwetworden gebruikt. Daarbij gaat de Belastingdienst ter zake van de uitvoering van het voorstel
inkomensgegevens verstrekken aan verhuurders van woningen, zijnde private partijen. Het CBP wijst erop dat de
doorbreking van de geheimhoudingsplichtvan de Belastingdienst, gelet op de inhoud ervan,
slechts in zeer uitzonderlijke gevallenzou moeten kunnen plaatsvinden. De redeneringen en daarbij naar voren gebrachte argumenten zijn er slechts op gericht de
doorbreking van de geheimhoudingsplichtte rechtvaardigen en houden
geen belangafweging ten principalein.
beginselen van proportionaliteit en
subsidiariteitmet name de
doorbreking van de geheimhoudingsplichtvan de Belastingdienst
onvoldoende gemotiveerd, zodat het voorstel (reeds hierom) niet in overeenstemming is met deze beginselen.” [149]
doorbreking van de geheimhoudingsplichtvan de Belastingdienst
verder te motiverenin het kader van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit; (…)
minste administratieve lastenoplevert en waarbij de doorbreking van de geheimhoudingsplicht zo is ingericht dat de
privacy van huurders maximaal wordt gewaarborgd.
grote maatschappelijke belangvan de maatregel en het feit dat er
geen andere minder ingrijpende mogelijkheidis om een inkomensafhankelijke huurverhoging mogelijk te maken, is het
gerechtvaardigdom voor de verstrekking van beperkte gegevens over het huishoudinkomen de
geheimhoudingsplicht van de Belastingdienst te doorbreken. Andere methoden zouden ofwel de invoering van een inkomensafhankelijke huurverhoging frustreren, ofwel een grotere inbreuk opleveren op de privacy van de huurders, ofwel disproportionele administratieve en bestuurlijke lasten met zich meebrengen.” [150]
wettelijke grondslagvan de gegevensverstrekking (als bedoeld in art. 8 lid 2 EVRM Pro) niet ter discussie was gesteld. [153]
artikel 8, aanhef en onder c, van de Wbp niet van toepassing. Uit de tekst van het hiervoor geciteerde
artikel 7:252a van het BWvolgt, dat een verhuurder bij een inkomensafhankelijk voorstel tot huurverhoging een op zijn verzoek door de inspecteur van de Belastingdienst afgegeven verklaring dient te voegen. Deze wettelijke bepaling bevat naar het oordeel van de rechtbank
niet uitdrukkelijk de door verweerder gestelde verplichting van de inspecteurvan de Belastingdienst tot het aan de verhuurder verstrekken van een indicatieve verklaring over het huishoudinkomen op het betrokken adres. Dit artikel bevat
slechts een verplichting voor de verhuurderom bij zijn voorstel een dergelijke verklaring te voegen. Verweerder heeft nog gewezen op
artikel 19a, vijfde lid van de Uitvoeringswet huurprijzen. Uit dit artikel volgt echter
niet meer dan dat de inspecteur van de Belastingdienst bevoegd is het afgeven van de verklaring te weigerenindien de verhuurder handelt in strijd met de in het tweede, derde en vierde lid van dat artikel neergelegde plicht tot bewaring, administratie en geheimhouding van de betrokken gegevens. De omstandigheid dat de inspecteur van de Belastingdienst afgifte van een verklaring kan weigeren, impliceert naar het oordeel van de rechtbank
niet dat hij een wettelijke verplichting heeft om een verklaring te verstrekken. (…)” [154]
inspecteur verstrekt op verzoekvan een verhuurder een verklaring omtrent het huishoudinkomen aan de verhuurder.”
parlementaire geschiedenisvan de inkomensafhankelijke (hogere) huurverhoging
meerdere malen is aangegeven(Kamerstukken II 2011/12, 33 129, nr. 3, pagina’s 4 en 7; Kamerstukken II 2011/12, 33 330, nr. 3, pagina’s 4 en 8; Kamerstukken I 2012/13, 33 330, E, pag. 32),
verstrekt de Belastingdienst op verzoekaan de verhuurder een inkomensverklaring, inhoudende in welke inkomenscategorie het huishoudinkomen valt.
Teneinde eventuele misverstanden over de huidige tekst te voorkomen, wordt met de voorliggende
redactionele wijziging– die
geen inhoudelijke wijziginginhoudt –
buiten twijfel gestelddat de (inspecteur van de) Belastingdienst op verzoek van een verhuurder een dergelijke
inkomensverklaring moet verstrekken. Het betreft hier dus
alleen een verduidelijkingvan de reeds bestaande tekst van artikel 7:252a, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (het voorgestelde artikel I, onderde[e]l 1). De voorgestelde wijziging in artikel I, onderdeel 2, loopt hierbij mee.” [155]
ABRvS-uitspraakdie intussen was gewezen (op 3 februari 2016). De regering antwoordde hierop dat het wetsvoorstel ‘juist anticiperend op die uitspraak’ was ingediend om ‘explicieter in de wet op te nemen dat de Belastingdienst de verplichting heeft om op verzoek van verhuurders inkomensindicaties voor de huurverhoging op grond van dat artikel te verstrekken’. Nochtans herhaalde de regering dat met het voorstel ‘geen enkele inhoudelijke wijziging’ werd aangebracht:
buiten twijfel te stellendat de
Belastingdienst verplichtis om op verzoek van verhuurders inkomensindicaties voor de huurverhoging
op grond van artikel 7: 252a van het BWte verstrekken. In de
adviezen van de Afdeling advisering van de Raad van State en het College bescherming persoonsgegevens(nu: Autoriteit persoonsgegevens) bij de wetsvoorstellen inzake de inkomensafhankelijke huurverhoging in 2011 en 2012 is
geen opmerking gemaakt over de wettelijke formuleringvan de
(thans meer impliciete) verplichtingvoor de Belastingdienst om op verzoek van verhuurders inkomensindicaties te verstrekken. Ook in de parlementaire behandeling is
algemeen aangenomen dat de Belastingdienst de verplichting heeftom op verzoek van verhuurders inkomensindicaties te verstrekken en dat er
geen sprake is van een discretionaire bevoegdheidvoor de Belastingdienst. Naar aanleiding van de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, is van een
onvoldoende expliciete formuleringin de wetgeving gebleken. Dat wordt met dit wetsvoorstel
rechtgezet. Met het voorliggende wetsvoorstel wordt de redactie van artikel 7:252a van het BW in die zin gewijzigd dat daarin
expliciet wordt vastgelegddat de
Belastingdienst de verplichting heeftom op verzoek inkomensindicaties te verstrekken en dat hij daarin
geen discretionaire bevoegdheidheeft. Met voorliggend wetsvoorstel wordt
geen enkele inhoudelijke wijzigingten opzichte van de verstrekking van inkomensindicaties geregeld.” [157]
verplichtis tot verstrekking van inkomensverklaringen (rov. 3.2). Hierop voortbouwend overwoog de Afdeling, in reactie op het betoog van de Staat dat de wettelijke regeling ‘betekenisloos’ zou zijn zonder zo’n wettelijke verplichting, het volgende:
bedoeld is een wettelijke verplichtingvoor de Belastingdienst tot gegevensverstrekking in te voeren en dat
zonder wettelijke verplichtingde in 2013 aangenomen wetten tegen scheefwonen
betekenislooszouden zijn, biedt
geen grondom een wettelijke verplichting in artikel 252a van Boek 7 van het BW en in artikel 19b van de Uhw te lezen, omdat de
tekst van de bepalingen, bezien in het licht van artikel 67 van Pro de Awr, daarvoor
geen aanknopingspuntenbiedt. Ingevolge het eerste lid van
artikel 67 van Pro de Awrgeldt als
hoofdregeldat de Belastingdienst gegevens die hij bij zijn taakuitoefening heeft verkregen,
niet aan derden mag verstrekken.
Achtergrondhiervan is dat de Belastingdienst
ruime wettelijke bevoegdhedenheeft om
privacygevoelige informatieover belastingplichtigen te verzamelen en dat belastingplichtigen gehouden zijn die bij hen opgevraagde gegevens te verschaffen. Hierop is gewezen in de memorie van toelichting bij de wet van 27 september 2007, Stb. 2007, 376, waarbij artikel 67 van Pro de Awr is gewijzigd (Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3, blz. 12). Daarnaast is het in het
algemeen belang dat personen niet van het verstrekken van gegevens aan de Belastingdienst worden weerhoudendoor de
vrees dat die gegevens voor andere doeleinden kunnen worden gebruiktdan voor een juiste en doelmatige uitvoering van de belastingwet, zoals in laatstgenoemde memorie van toelichting is opgemerkt en ook door de Hoge Raad is overwogen (arrest van 8 november 1991, NJ 1992, 277).
Artikel 67, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awrvoorziet in een
uitzonderingop de in het eerste lid van dat artikel neergelegde geheimhoudingsplicht ingeval een
wettelijk voorschrift tot verstrekking van informatie verplicht. In het licht van de
achtergrond van de geheimhoudingsplichtis de Afdeling van oordeel dat een zodanige verplichting
uitdrukkelijk en duidelijkin een wettelijk voorschrift moet zijn neergelegd en dat
niet toelaatbaaris dat een dergelijke verplichting
uitsluitend wordt afgeleid uit de totstandkomingsgeschiedenis van of de samenhang tussen wettelijke bepalingenof wordt
verondersteld omwille van de effectiviteit van een wettelijke regeling. Zie bijvoorbeeld artikel 87 van Pro de Comptabiliteitswet 2001, artikel 64, eerste lid, van de Participatiewet (voorheen Wet werk en bijstand), artikel 39, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en artikel 54, derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Die bepalingen worden in laatstgenoemde
memorie van toelichting(blz. 18) genoemd als
voorbeelden van wettelijke voorschriftenals bedoeld in artikel 67, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awr.”
publieke taaken de gegevensverwerking moeten hun grondslag vinden in het in Nederland geldende recht. Dit hoeft echter
niet uitputtendte zijn geregeld, en de publieke taak behoeft ook niet altijd in een wet in formele zin te zijn vastgelegd. (…) In de kern gaat het erom dat het voor het individu kenbaar moet zijn dat zijn persoonsgegevens met betrekking tot een specifieke publieke taak worden verwerkt. Dit kan ook, zoals nu in sommige gevallen wordt aangenomen, volgen uit een
samenstel van wettelijke regels die tezamen een publieke taak aanduiden. (…)
voldoende precieze wettelijke grondslag. Dat betekent (…) dat een verplichting voor een overheidsinstantie tot gegevensverstrekking terwijl die overheidsinstantie een
wettelijk geregelde geheimhoudingsplichtheeft,
uitdrukkelijk en duidelijkin een wettelijk voorschrift moet zijn neergelegd, en dat het
niet toelaatbaaris dat een dergelijke verplichting
uitsluitend wordt afgeleid uit de totstandkomingsgeschiedenis van of de samenhang tussen wettelijke bepalingenof wordt
verondersteld omwille van de effectiviteit van een wettelijke regeling. [163]
f-gronden het recht van
verzetdoor de Afdeling. Overkleeft-Verburg betoogt dat aan deze ‘instrumentalisering van de f-grond’ bezwaren zijn verbonden. Ten eerste wordt daarmee de systematiek van de verwerkingsgronden doorbroken: de f-grond is bedoeld voor gegevensverwerking in de
particuliere sector. Ten tweede krijgt daardoor het recht van verzet een ‘andere lading dan daarmee is beoogd’: het verzet wordt ‘verbreed en verzelfstandigd’ en ‘ingezet bij de toetsing op naleving van de geheimhoudingsplicht’. Daardoor wordt het er voor de rechtzoekende burger ‘niet gemakkelijker op’. [165]
rechtmatigeverwerking die wegens bijzondere omstandigheden in een individueel geval ongerechtvaardigd kan uitvallen’. Ook de route van het recht van verzet ‘verrast’ volgens Groenhart. Dat de geheimhoudingsplicht de verstrekking niet toelaat, is volgens hem ‘geen persoonlijke omstandigheid’ in de zin van art. 40 Wbp Pro, maar een omstandigheid die de gegevensverstrekking ‘in alle gevallen op voorhand al onrechtmatig’ maakt. Bij die situatie past beter het
recht op gegevenswissingin de zin van art. 36 Wbp Pro (door Groenhart ‘correctierecht’ genoemd). Hij merkte in dit verband op dat het verschil tussen verzet en gegevenswissing van belang is voor een eventuele aanspraak op
schadevergoeding. In de sleutel van het recht van verzet ontstaat immers pas een onrechtmatige verwerking als die verwerking ná gegrondbevinding van het verzet wordt voortgezet. [166]
ABRvS van 3 oktober 2018kwam de vervolgvraag aan de orde of art. 7:252a lid 3 BW sinds de Reparatiewet van 1 april 2016 wél een toereikende grondslag biedt voor de beoogde doorbreking van de fiscale geheimhoudingsplicht. Zoals te verwachten was, [168] beantwoordde de Afdeling die vraag bevestigend. De appellant in deze zaak was dezelfde huurder die met de ABRvS-uitspraak van 3 februari 2016 een overwinning had geboekt. Zijn argument dat de wetgever bij de totstandkoming van de Reparatiewet zelf had opgemerkt dat daarmee ‘geen enkele inhoudelijke wijziging’ was beoogd, trof bij de Afdeling geen doel. De Afdeling oordeelde dat art. 7:252a lid 3 BW sinds 1 april 2016 (wel) een verplichting bevat voor de inspecteur om op verzoek van een verhuurder een inkomensverklaring te verstrekken. Zij achtte deze verplichting niet strijdig met art. 8 EVRM Pro en concludeerde dat de verstrekking onder de
c-grondviel, zodat daartegen geen verzet kon worden ingesteld. [169] Annotator Mulder gaat ervan uit dat deze uitspraak onder de AVG niet anders zou luiden. [170]
schadevergoedingwegens onrechtmatige verstrekking van inkomensverklaringen in de periode tussen 16 maart 2013 en 1 april 2016 (vóór de Reparatiewet). In beide zaken kreeg de huurder nul op het rekest.
uitspraak van 24 december 2019ging het om een appellant die op grond van art. 8:88 lid 1 Awb Pro (zoals geldend sinds de invoering van de Wns) een verzoek tot schadevergoeding had ingediend bij de Belastingdienst, zich beroepend op de ABRvS-uitspraak. Zijn schade was volgens de appellant gelegen in de huurverhogingen die hij in de jaren 2014 en 2015 had gekregen als gevolg van de onrechtmatig geachte verstrekkingen van inkomensverklaringen aan de verhuurder. De Afdeling verwierp dit betoog, reeds omdat art. 8:88 Awb Pro ingevolge art. V (het overgangsrecht) van de Wns niet van toepassing is op besluiten of andere handelingen van de Belastingdienst. Ook verwierp de Afdeling het standpunt van de appellant dat de ABRvS-uitspraak van 3 februari 2016 ‘algemene werking’ zou hebben in die zin dat ‘de onrechtmatigheid van de verstrekkingen daarmee ook in zijn geval vaststaat’. [171]
uitspraak van 10 juni 2020ging het om een appellant die verzet had aangetekend tegen verstrekkingen van inkomensverklaringen in de jaren 2013 tot en met 2015 (vóór de Reparatiewet) en een verzoek tot schadevergoeding had ingediend, een en ander met een beroep op schending van de fiscale geheimhoudingsplicht. De rechtbank had in eerste aanleg het verzet ongegrond verklaard, nu de gegevensverwerking al was voltooid vóór de indiening van het verzet, maar het verzoek om schadevergoeding toegewezen op grond van art. 8:88 lid 1 Awb Pro (nieuw). Volgens de rechtbank stond op grond van de ABRvS-uitspraak van 3 februari 2016 vast dat de verstrekking ook in dit geval in strijd met art. 67 Awr Pro had plaatsgevonden. De schade werd begroot op de huurverhogingen. [172] De Afdeling vernietigde deze uitspraak, daartoe overwegende dat art. 8:88 lid 1 Awb Pro (nieuw) ingevolge art. V van de Wns niet van toepassing was in deze zaak. Voorts oordeelde de Afdeling – in afwijking van de ABRvS-uitspraak van 3 februari 2016 – dat het beroep op onrechtmatige verwerking (strijd met art. 67 Awr Pro) geen argument kon vormen voor honorering van het verzet, omdat het hier geen bijzondere persoonlijke omstandigheden in de zin van art. 40 Wbp Pro betrof. De Afdeling onderzocht ambtshalve of er aanleiding bestond het verzet van de appellant te kwalificeren als een verzoek tot gegevenswissing. Dat was niet het geval. [173]
ABRvS-uitspraken van 1 april 2020, was geoordeeld dat, omwille van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming, dezelfde rechter die oordeelt over een verzoek ex art. 15 tot Pro en met 22 AVG, óók kan worden verzocht om vergoeding van daarmee in verband staande schade. [176] Aangenomen wordt dat hiermee een bres is geslagen in het bastion van het ‘besluitenprocesrecht’: in AVG-kwesties waarbij een bestuursorgaan als verwerkingsverantwoordelijke optreedt, kan rechtstreeks bij de bestuursrechter worden opgekomen tegen de gegevensverwerking (een zuiver feitelijke handeling) én schadevergoeding worden verzocht, zonder dat daarvoor een band met een onrechtmatig besluit is vereist (als bedoeld in art. 8:88 Awb Pro). [177] Deze lijn is in de
ABRvS-uitspraak van 10 juni 2020echter – uitdrukkelijk – níet doorgetrokken naar gevallen van gegevensverwerking door de
Belastingdienst, omdat art. V van de Wns daaraan in de weg staat. [178]
ABRvS-uitspraak van 10 juni 2020is om nog een andere reden interessant, namelijk omdat de Afdeling daarin gedeeltelijk terugkomt van de ABRvS-uitspraak van 3 februari 2016. Hiervoor bleek al dat in de literatuur de toepassing van art. 40 Wbp Pro in die uitspraak was bekritiseerd, omdat het rechtsmiddel van verzet niet is bedoeld voor situaties waarin de gegevensverwerking van meet af aan en in algemene zin onrechtmatig is geweest (zie hiervoor, 6.34 e.v.). De Afdeling lijkt zich deze kritiek te hebben aangetrokken, door in die zaak ambtshalve te onderzoeken of er grond was voor toepassing van art. 36 Wbp Pro.
huurverhogingendie voorafgaand aan de invoering van de Reparatiewet met toepassing van art. 7:252a lid 1 BW zijn overeengekomen, op basis van inkomensgegevens die zonder toereikende wettelijke grondslag zijn verstrekt, maar op zichzelf wel juist waren. Deze rechtspraak volgt de vaste lijn dat de onrechtmatigheid van de gegevensverstrekking niet afdoet aan de rechtsgeldigheid van de huurverhoging. Daarbij wordt mede gewezen op art. 7:252a lid 5 BW, waarin is geregeld dat de huurverhoging ook zónder inkomensverklaring rechtsgeldig tot stand kan komen, indien de huurder door het ontbreken daarvan niet is benadeeld (zie noot 42). [181] Tegen deze achtergrond wordt in de huurrechtelijke literatuur aangenomen dat het vorderen van
schadevergoeding voor de huurverhogingen(in mijn woorden) een ‘long shot’ is, met name in het licht van de vereisten van causaliteit en relativiteit. [182]
verzetop de voet van art. 40 Wbp Pro kunnen instellen en trof hun niet-ontvankelijkheid op die grond ook de Woonbond, aangezien diens vorderingen strekten tot behartiging van de gebundelde belangen van de huurders. [183]
7.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Onderdeel 2.2is gericht tegen rov. 5.7 tot en met 5.11 (het ontvankelijkheidsoordeel over tijdvak I).
Onderdeel 2.4is gericht tegen rov. 5.12 (het onrechtmatigheidsoordeel over tijdvak I).
Onderdeel 2.5behelst een voortbouwende klacht die geen bespreking behoeft.
eerste redeneerlijnluidt dat de Woonbond ontvankelijk is (rov. 5.11), omdat de vordering van de Woonbond niet is gebaseerd op een onrechtmatig besluit ex art. 36 of Pro 40 Wbp, maar op een
onrechtmatig feitelijk handelen(rov. 5.7-5.8). Toegespitst op art. 40 Wbp Pro voegt het hof hieraan kennelijk ten overvloede nog toe dat het recht van verzet bovendien niet van toepassing is in deze zaak, aangezien geen van partijen een beroep doet op bijzondere persoonlijke omstandigheden in de zin van art. 40 Wbp Pro (rov. 5.8).
tweede redeneerlijndie het hof ontvouwt, luidt dat de Woonbond ontvankelijk is in zijn vordering (rov. 5.11), niet alleen omdat de vordering van de Woonbond geen betrekking heeft op een besluit ex art. 36 of Pro 40 Wbp (rov. 5.7-5.8), maar ook omdat de huurder in de bestuursrechtelijke kolom
geen schadevergoedingkan krijgen (rov. 5.9-5.10). In dit kader zet het hof eerst uiteen dat het de Woonbond in deze zaak (uiteindelijk) is te doen om schadevergoeding voor de huurders (rov. 5.9), om vervolgens te beargumenteren waarom de huurders in de bestuursrechtelijke procedure geen schadevergoeding zouden (hebben) kunnen krijgen, namelijk vanwege de toepasselijkheid van het oude bestuursrechtelijke schadevergoedingsrecht ingevolge art. V Wns (rov. 5.10).
eerste redeneerlijn, namelijk tegen rov. 5.7 en 5.8 (in samenhang met rov. 5.11), waar het hof oordeelt dat het openstaan van een bestuursrechtelijke rechtsingang op grond van art. 36 en Pro 40 Wbp voor individuele huurders niet aan ontvankelijkheid van de Woonbond in de weg staat. Geklaagd wordt dat dit oordeel rechtens onjuist is. Het feitelijke karakter van de gegevensverstrekkingen (genoemd in rov. 5.6) en de omstandigheid dat de vordering van de Woonbond niet is gebaseerd op een onrechtmatig besluit (genoemd in rov. 5.7) zijn volgens de Staat niet relevant. Waar het om gaat, is dat degenen van wie de Woonbond de belangen bundelt op de voet van art. 36 en Pro 40 Wbp een oordeel van de bestuursrechter hadden kunnen
uitlokkenover de (on)rechtmatigheid van de gegevensverwerking. Reeds daarom zijn de vorderingen van de Woonbond niet-ontvankelijk bij de civiele rechter, aldus de Staat.
rechtstreeksondervinden, namelijk zonder tussenkomst van een besluit. [187] Bij die stand van zaken is een vordering als die van de Woonbond – die de rechtmatigheid van het verstrekkingenregime als zodanig ter discussie beoogt te stellen – volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad ontvankelijk (zie hiervoor, 4.5 e.v.). Dat geldt ook als er in theorie wel mogelijkheden zijn om via de bestuursrechtelijke weg een oordeel te verkrijgen over de rechtmatigheid van de onderliggende regeling (zoals in dit geval door middel van het uitlokken en eventueel aanvechten van een besluit op een verzoek om gegevenswissing ex art. 36 Wbp Pro). Het hof heeft dus terecht geoordeeld dat de Woonbond ontvankelijk is, reeds gelet op het zuiver feitelijke karakter van het aan de Staat verweten handelen waarop de vorderingen betrekking hebben.
onverbindendheidvan art. 7:252a lid 3 BW en dat de Woonbond dáárom ontvankelijk is. In dat geval zou het oordeel van het hof onjuist, althans onbegrijpelijk zijn, omdat de vordering van de Woonbond niet in die sleutel stond.
tekortschieten dat de Woonbond dáárom ontvankelijk is. In dat geval zou het oordeel van het hof onjuist zijn, nu het er volgens de Staat enkel om gaat dat een huurder langs de weg van art. 36 Wbp Pro een oordeel van de bestuursrechter kon uitlokken over de (on)rechtmatigheid van de gegevensverwerking (zoals het hof heeft vastgesteld in rov. 5.7).
tweede redeneerlijnvan het hof, namelijk tegen rov. 5.9 en 5.10 (in samenhang met rov. 5.11), waar het hof oordeelt dat de Woonbond ook ontvankelijk is omdat de huurder in de bestuursrechtelijke kolom
geen schadevergoedingkan krijgen. Geklaagd wordt dat dit oordeel rechtens onjuist is, omdat slechts bepalend is of degenen van wie de belangen worden gebundeld in de bestuursrechtelijke rechtsgang voldoende rechtsbescherming genieten in die zin dat zij het
onrechtmatig geachte handelen(in dit geval de gegevensverwerking) in een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter aan de orde kunnen stellen. Ook indien juist zou zijn dat de huurder in de bestuursrechtelijke kolom geen schadevergoeding kan verkrijgen, brengt dat volgens de Staat niet mee dat de Woonbond om die reden ontvankelijk is.
eerste redeneerlijn, meer in het bijzonder op rov. 5.8 (vanaf de derde volzin), waar het hof oordeelt dat het recht van verzet (art. 40 Wbp Pro) niet van toepassing is in deze zaak. Geklaagd wordt dat dit oordeel rechtens onjuist is, als het hof daarop heeft gebaseerd dat de Woonbond ontvankelijk is. Uit de door het hof besproken ABRvS-uitspraken van 3 februari 2016 en 10 juni 2020 (hiervoor besproken in 6.29 e.v. en 6.40) volgt namelijk volgens de Staat onmiskenbaar dat huurders verzet konden doen op de voet van art. 40 Wbp Pro. Daarmee stond voor hen een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open om het gestelde onrechtmatige handelen bij de bestuursrechter aan de orde te stellen, ongeacht de slagingskansen daarvan.
openstaatvoor huurders van wie inkomensverklaringen zijn verstrekt aan verhuurders, maar geen rechtsingang biedt voor het ter discussie stellen van de
rechtmatigheid van de gegevensverwerking(de beweerde strijd met de geheimhoudingsplicht). Dat heeft te maken met het hoogstpersoonlijke en casuïstische karakter van het rechtsmiddel verzet (zie 4.29 e.v.). Hieruit volgt dat art. 40 Wbp Pro ter zake van het onderhavige geschil geen ‘voldoende rechtsbescherming’ biedt.
tweede redeneerlijn, meer in het bijzonder tegen rov. 5.10 (vanaf de zevende volzin: ‘Het hof ziet echter…’), waar het hof aanneemt dat, ook als de Afdeling een op de voet van art. 36 Wbp Pro ingesteld beroep tegen de gegevensverwerking gegrond zou hebben bevonden, zij niet met toepassing van art. 8:73 lid Pro 1 (oud) Awb schadevergoeding had kunnen toewijzen. Volgens het subonderdeel had dat wél gekund en is de Afdeling in haar uitspraak van 10 juni 2020, anders dan het hof in rov. 1.11 bij de weergave van die uitspraak lijkt te veronderstellen, ook niet van het tegendeel uitgegaan. Het subonderdeel vervolgt met bezwaren die zijn gericht tegen de twee laatste volzinnen van rov. 5.10 (‘Aldus wordt immers…’ en ‘Het hof vindt…’), die voortbouwen op de zojuist weergegeven aanname.
duidelijk, expliciet en transparantmoeten zijn (zie hiervoor, 5.2 e.v.). Ook privacyrechtelijk is hier veel voor te zeggen, omdat het doelbindingsbeginsel meebrengt dat rechthebbenden er in beginsel op mogen vertrouwen dat hun voor de fiscaliteit vergaarde gegevens niet worden gebruikt voor onverenigbare doeleinden (zie hiervoor, 5.13 e.v.).
voorstel tot inkomensafhankelijke huurverhogingals bedoeld in lid 1 moest voldoen. In dát kader werd gesproken van de bijvoeging van ‘een door de inspecteur op verzoek van die verhuurder aan deze afgegeven verklaring’. Dat de inspecteur naar de bedoeling van de wetgever
verplichtwas tot afgifte van de verklaring, blijkt hier niet uit, laat staan duidelijk. In het licht van (de betekenis en doelstellingen van) de fiscale geheimhoudingsplicht is dat problematisch.
uitzonderinggeldt als de belanghebbende de werking van het desbetreffende voorschrift rechtstreeks ondervindt (zoals in dit geval). Ter voorkoming van tegenstrijdige uitspraken ligt het dan wel voor de hand dat de civiele rechter en de bestuursrechter hun oordelen ter zake zoveel mogelijk inhoudelijk afstemmen (zie hiervoor, 4.10). Ook vanuit dat perspectief heeft aansluiting bij de ABRvS-uitspraak voorkeur boven een nieuwe koers.
8.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 5.4 (de maatstaf voor het ontvankelijkheidsoordeel).
Onderdeel 2komt op tegen rov. 5.16 (de verwerping van het beroep op strijd met het doelbindingsbeginsel in tijdvak II).
vaste rechtspraakvolgt dat
de enkele bundeling van belangen door een belangenorganisatie er niet toe kan leiden dat de weg naar de civiele rechter voor die organisatie open komt te staan. De Woonbond is alleen ontvankelijk bij de civiele rechter als wordt opgekomen voor de gebundelde belangen van personen voor wie geen met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat of heeft opengestaan. Daarbij is niet van belang dat niet exact dezelfde vorderingen ingesteld zouden kunnen worden in die andere procedure. Het feit dat de huurders die de achterban vormen van de Woonbond (hierna kortweg: de huurders) geen verklaring voor recht zouden (hebben) kunnen vorderen in een bestuursrechtelijke procedure levert bijvoorbeeld geen rechtstekort op dat zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid bij de burgerlijke rechter.
Kern is of in de andere procedure eenzelfde of een vergelijkbaar resultaat kan of kon worden behaald.”
subonderdeel 1.1wordt geklaagd dat het hof hiermee blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Meer in het bijzonder zou deze vooropstelling te beperkt zijn. Een belangenorganisatie dient volgens de Woonbond óók ontvankelijk te zijn in civilibus, indien zij niet als belangenorganisatie op de voet van art. 1:2 lid 3 Awb Pro voor het desbetreffende belang kan opkomen bij de bestuursrechter, althans indien haar achterban slechts door uitlokking van een appellabel besluit kan opkomen bij de bestuursrechter (
subonderdeel 1.2). Hierop voortbouwend wordt aangevoerd dat bij de toetsing van de ontvankelijkheid ‘in ieder geval’ een reeks
gezichtspuntenin acht moet worden genomen, te weten (i) in hoeverre het van belanghebbenden redelijkerwijs mag worden verwacht dat zij de bestuursrechtelijke route bewandelen, (ii) hoe bezwaarlijk de bestuursrechtelijke route voor hen is, (iii) of belanghebbenden al dan niet eerst een appellabel besluit moeten uitlokken, (iv) in hoeverre dit laatste voor belanghebbenden kenbaar is, (v) in hoeverre de belangenorganisatie specifiek opkomt voor het in de procedure behartigde belang, (vi) in hoeverre de belangenorganisatie zelf bij de bestuursrechter kan opkomen voor dat belang, (vii) in hoeverre de rechtmatigheid van de grondslag van een besluit bij de bestuursrechter kan worden getoetst, (viii) in hoeverre de belangenorganisatie die rechtmatigheid als belanghebbende in de zin van art. 1:2 lid 3 Awb Pro aan de orde kan stellen en (ix) in hoeverre er daadwerkelijk appellabele besluiten zijn of worden genomen op basis waarvan het behartigde belang bij de bestuursrechter aan de orde kan worden gesteld (
subonderdeel 1.3).
subonderdeel 2.1). Vervolgens wordt een klacht gericht tegen de
zesde en zevende volzinvan rov. 5.16. De klacht luidt dat het hof hiermee miskent dat art. 7:252a BW eerst vanaf 1 april 2016 een rechtsgrond bood voor de verzameling van inkomensgegevens met het oog op de verstrekking daarvan ex art. 7:252a BW. Inkomensgegevens die vóór 1 april 2016 zijn verzameld en ná 1 april 2016 zijn verstrekt, zijn dus volgens het onderdeel ‘nog steeds met een ander doel verzameld dan waarvoor zij vervolgens zijn verstrekt/verwerkt’. Althans zou het oordeel in het licht van deze tegenwerping onbegrijpelijk zijn (
subonderdeel 2.2).
niet onverenigbaaris met de doeleinden van de fiscale gegevensvergaring. In de achtste, negende en tiende volzin van rov. 5.16 heeft het hof die vraag positief beantwoord. Subonderdeel 2.2 is dus gericht tegen een overweging die (voor zover het betreft de inkomensgegevens die vóór 1 april zijn verzameld en ná 1 april zijn verstrekt) niet dragend is voor het bestreden oordeel.
achtste en de negende volzinvan rov. 5.16. Geklaagd wordt dat het hof daarmee miskent dat art. 21b Awr alleen ziet op de verstrekking van inkomensgegevens aan
bestuursorganen, en niet aan
verhuurders. Althans zou het oordeel in het licht van deze tegenwerping onbegrijpelijk zijn (
subonderdeel 2.3). Hierop voortbouwend wordt geklaagd dat de verwijzing in de achtste volzin naar art. 21b Awr temeer onbegrijpelijk zou zijn, omdat het hof eerder in rov. 5.14 heeft overwogen dat de BRI-regeling ‘evenmin relevant’ is voor deze zaak (
subonderdeel 2.4).
publieke doeleinden(zoals in dit geval de uitvoering van een inkomensafhankelijke regeling), een verdere verwerking doorgaans in overeenstemming zal zijn met het doelbindingsbeginsel. De overweging in rov. 5.14 dat de regeling rond de BRI ‘evenmin relevant’ is voor deze zaak, moet worden begrepen in het licht van art. 67 Awr Pro waaraan het hof op die plaats refereert.
tiende volzinvan rov. 5.16, waar het hof verwijst naar de aard van de gegevens en de te verwachten gevolgen voor de betrokkene. Geklaagd wordt dat deze gezichtspunten ‘niet relevant’ zijn voor de vraag of aan het doelbindingsbeginsel is voldaan (
onderdeel 2.5).