Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de schriftuur en de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
25 januari 2022.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak heeft de klager beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam inzake een vordering tot onttrekking aan het verkeer van een auto met een verborgen ruimte. De klachten in het cassatiemiddel waren echter niet gericht tegen de beschikking die in deze zaak bestreden werd, maar tegen een samenhangende beschikking die onder een ander zaaknummer bij de Hoge Raad in behandeling was.
De Hoge Raad oordeelt dat een cassatiemiddel alleen kan gelden indien het een stellige en duidelijke klacht bevat over de schending van een rechtsregel of een vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. Omdat de klachten niet tegen de bestreden uitspraak waren gericht, moeten deze onbesproken blijven.
Daarnaast is de schriftuur met cassatiemiddelen niet binnen de wettelijke termijn door een raadsman ingediend, waardoor het voorschrift van artikel 447 lid 5 Sv Pro niet is nageleefd. Dit leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Hoge Raad verklaart het beroep dan ook niet-ontvankelijk en verwijst naar de samenhangende zaak 21/01917B. De beschikking is uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren in aanwezigheid van de griffier.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-richtingsklacht en niet-naleving van de wettelijke termijn.