Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2022:41

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 januari 2022
Publicatiedatum
19 januari 2022
Zaaknummer
21/02362
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 552f lid 2 SvArt. 447 lid 5 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens niet-richtingsklacht en termijnoverschrijding

In deze zaak heeft de klager beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam inzake een vordering tot onttrekking aan het verkeer van een auto met een verborgen ruimte. De klachten in het cassatiemiddel waren echter niet gericht tegen de beschikking die in deze zaak bestreden werd, maar tegen een samenhangende beschikking die onder een ander zaaknummer bij de Hoge Raad in behandeling was.

De Hoge Raad oordeelt dat een cassatiemiddel alleen kan gelden indien het een stellige en duidelijke klacht bevat over de schending van een rechtsregel of een vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. Omdat de klachten niet tegen de bestreden uitspraak waren gericht, moeten deze onbesproken blijven.

Daarnaast is de schriftuur met cassatiemiddelen niet binnen de wettelijke termijn door een raadsman ingediend, waardoor het voorschrift van artikel 447 lid 5 Sv Pro niet is nageleefd. Dit leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

De Hoge Raad verklaart het beroep dan ook niet-ontvankelijk en verwijst naar de samenhangende zaak 21/01917B. De beschikking is uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren in aanwezigheid van de griffier.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-richtingsklacht en niet-naleving van de wettelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/02362 B
Datum25 januari 2022
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 14 januari 2021, nummer RK 20/2780, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de klager.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft R. Moghni, advocaat te Rotterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot nietontvankelijkverklaring van de klager in het ingestelde cassatieberoep.

2.Beoordeling van de schriftuur en de ontvankelijkheid van het beroep

2.1
Het cassatiemiddel bevat klachten die zijn gericht tegen de beschikking van de rechtbank van 17 februari 2021 op een vordering als bedoeld in artikel 552f lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) die bij de Hoge Raad in behandeling is onder nummer 21/01917 B en die samenhangt met de onderhavige zaak. Als een cassatiemiddel als in de wet bedoeld, kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De klachten voldoen niet aan dit vereiste omdat zij niet gericht zijn tegen de in deze zaak bestreden uitspraak, zodat zij onbesproken moeten blijven.
2.2
Nu de klager niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur met cassatiemiddelen heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van artikel 447 lid 5 Sv Pro. Dat brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling kan nemen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
25 januari 2022.