Conclusie
Nummer22/02728
Inleiding
De zaak
Het eerste middel
“Verzoeken 8 t/m 10: horen politioneel informanten (A’tjes en B’tjes)
Lazu– laat art. 6 EVRM Pro niet toe dat die veroordeling in tweede instantie wordt uitgesproken zonder een “direct assessment of the evidence”. [3] Daarmee benadrukt het EHRM de verantwoordelijkheid van de rechter – ook die in hoger beroep – om de betrouwbaarheid van het (getuigen)bewijs te beoordelen. Die verantwoordelijkheid bestaat altijd, maar laat zich – zo begrijp ik het EHRM – nog sterker voelen als de rechter in hoger beroep tot een ander oordeel komt over de betrouwbaarheid dan de rechter in eerste aanleg, als gevolg waarvan een vrijspraak in eerste aanleg omslaat in een veroordeling in hoger beroep.
als geheel, zodat het hof daarover ten tijde van de afwijzing naar aanleiding van de regiezitting van 9 november 2021 nog geen oordeel hoefde te geven.
Het tweede middel
Het derde middel
Het vierde middel
deskundigeop het gebied van anesthesie en (ii) het verzoek tot het horen als
getuigenvan de huisarts en de anesthesist van de verdachte
.
Het vijfde middel
Het zesde middel
Het gesprek tussen de verdachte en ‘ [verbalisant 3] ’ op 21 september 2018
Het OVC-gesprek van 16 oktober 2018
in essentie(ik begrijp: los van hetgeen daarin is opgenomen over het alcoholgebruik door ‘ [verbalisant 1] ’,
D.P.) niet betwist. Het hof kon daarom uitgaan van de juistheid van de op ambtseed/-belofte opgemaakte processen-verbaal. Dat de verdachte anders over het drankgebruik van ‘ [verbalisant 1] ’ heeft verklaard, maakt de overweging van het hof niet onbegrijpelijk. Het beperkte alcoholgebruik van ‘ [verbalisant 1] ’ doet naar het kennelijke oordeel van het hof niet af aan de betrouwbaarheid van de door hem opgemaakte processen-verbaal. Dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat een feit van algemene bekendheid is dat het gebruik van alcohol effect heeft op hersenfuncties of dat niet is gerelateerd hoeveel
de verdachteheeft gedronken.
Het zevende middel
Het achtste middel
Del Río Prada [34] niet op. In die zaak ging het om een verlenging van de strafduur, terwijl die wijziging bij de initiële strafoplegging niet voorzienbaar was voor de rechter. Bij de wijziging van de VI-regeling heeft de Nederlandse wetgever echter voorzien in overgangsrecht op grond waarvan de nieuwe VI-regeling slechts van toepassing is op straffen die na de inwerkingtreding van de nieuwe VI-regeling worden uitgesproken. Daarom doet zich in de onderhavige zaak niet de situatie voor waarin een andere of langere straf ten uitvoer wordt gelegd dan de rechter bij de strafoplegging voor ogen stond. In zoverre faalt het middel.