Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Hoge Raad
Belanghebbende, een vennootschap onder firma, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over het jaar 2009 na een boekenonderzoek in 2013-2014. De Inspecteur informeerde belanghebbende niet voorafgaand aan het opleggen van de aanslag over het voornemen en gaf geen gelegenheid tot reactie. Wel werd na oplegging uitstel van betaling verleend en kon belanghebbende bezwaar maken, waarbij de aanslag deels werd verminderd.
Het Hof oordeelde dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel niet was geschonden omdat uitstel van betaling was verleend en belanghebbende in de bezwaarfase haar standpunten kon kenbaar maken. De Hoge Raad stelt echter dat het verdedigingsbeginsel vereist dat de belanghebbende voorafgaand aan het besluit expliciet en tijdig wordt gehoord, tenzij er een rechtvaardigingsgrond is om daarvan af te zien.
De Inspecteur heeft geen rechtvaardigingsgrond aangevoerd die het vooraf niet horen rechtvaardigt. Uitstel van betaling vormt geen dergelijke grond. De schending van het verdedigingsbeginsel leidt tot vernietiging van de naheffingsaanslag omdat zonder die schending het besluitvormingsproces mogelijk anders zou zijn verlopen.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond, vernietigt de uitspraak van het Hof en de naheffingsaanslag, en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de naheffingsaanslag omzetbelasting wegens schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel door het niet vooraf horen van belanghebbende.