Uitspraak
wonende te [woonplaats], Suriname,
zetelende te Den Haag,
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
22 april 2022.
Hoge Raad
In deze zaak heeft verzoekster cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank die betrekking heeft op het verlies van het Unieburgerschap en de toepassing van het evenredigheidsbeginsel in het nationaliteitsrecht.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere uitspraken, waaronder zijn beschikking van 3 april 2020 en een beschikking van de rechtbank Den Haag van 16 maart 2021, en heeft de klachten van verzoekster beoordeeld. De klachten konden echter niet leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking.
De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om een nadere motivering te geven, omdat beantwoording van de klachten niet van belang was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen en de beschikking van de rechtbank gehandhaafd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verzoekster wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank gehandhaafd.