Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
(i) De verdachte is op 15 juni 2017 door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden voor het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde (kort gezegd: openlijke geweldpleging en mishandeling). Verder heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
(ii) De verdachte heeft tegen dat arrest beroep in cassatie ingesteld.
(iii) De Hoge Raad heeft bij zijn arrest van 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901 het arrest van het hof vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met terugwijzing van de zaak naar het hof, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw zou worden berecht en afgedaan.
(iv) Het hof heeft, na terugwijzing door de Hoge Raad, in de nu bestreden uitspraak van 3 februari 2021 geoordeeld dat de omvang van het hoger beroep beperkt is tot de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en dat het niet betrekking heeft op de strafoplegging als geheel. Het hof heeft vervolgens de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, maar voor het overige geen straf opgelegd.
(v) Het openbaar ministerie heeft geen beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof.
3.Beslissing
24 mei 2022.