Conclusie
NJ2019/380, m.nt. Vellinga.
NJ2019/380, m.nt. Vellinga houdt onder meer het volgende in:
“uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij”terwijl door de steller van het cassatiemiddel, de advocaat-generaal bij de Hoge Raad, mr. F.W. Bleichrodt, en de Hoge Raad, behalve over de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de daarmee samenhangende schadevergoedingsmaatregel, met geen woord is gerept over soort en de hoogte van de wegens het bewezenverklaarde opgelegde straf.
De Hoge Raad overweegt in zijn arrest van 19 juni 2019 [1] dat het cassatiemiddel uitsluitend is gericht tegen de toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij en dat het middel niet expliciet klaagt over de schadevergoedingsmaatregel die voor hetzelfde schadebedrag is opgelegd. Daarnaast overweegt de Hoge Raad in overweging 2.3.3. - zakelijk weergegeven - dat, anders dan in eerdere jurisprudentie, het in de onderhavige zaak niet gaat om de strafprocesrechtelijke vraag of de benadeelde partij de door haar geleden schade in de strafzaak tegen de verdachte kan vorderen, maar om de onderliggende, aan de hand van het materiële burgerlijk recht te beantwoorden vraag of, dan wel tot welke omvang de verdachte gehouden is tot vergoeding van de schade die zowel onderwerp is van de vordering van de benadeelde partij als van de schadevergoedingsmaatregel. De Hoge Raad overweegt onder 2.4.2 dat dit, nu zonder nadere motivering niet begrijpelijk is op grond waarvan het hof heeft geconcludeerd dat de benadeelde partij schade heeft geleden tot een bedrag van € 7.646,89, meebrengt dat dit oordeel gevolgen heeft voor zowel de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij als voor de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
en
NJ2020/227, m.nt. Jörg is de Hoge Raad tamelijk uitgebreid ingegaan op de omvang van de terugwijzingsopdracht na cassatie. Daarin legt de Hoge Raad uit wat valt onder een vernietiging “wat betreft de strafoplegging”:
NJ2019/380, m.nt. Vellinga overwogen, dat a. het middel klaagt over de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen, b. dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, inderdaad niet begrijpelijk is op grond waarvan het hof heeft geconcludeerd dat de benadeelde partij schade heeft geleden tot een bedrag van € 7.646,89 en c. dat dit oordeel van de Hoge Raad gevolgen heeft voor de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tegen deze achtergrond heeft hij beslist dat de bestreden uitspraak wordt vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, en dat de zaak wordt teruggewezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
NJ2020/227, m.nt. Jörg brengt de bedoelde uitspraak van de Hoge Raad van 18 juni 2019 mee dat het hof zich bij de hernieuwde behandeling had moeten uitlaten over de vordering van de benadeelde partij en de strafoplegging in haar geheel, dus wat dit laatste betreft niet alleen over de schadevergoedingsmaatregel maar ook over de gevangenisstraf. Door op de in randnummer 7 weergegeven wijze te beslissen, heeft het hof de terugwijzingsopdracht van de Hoge Raad miskend.
NJ2019/380, m.nt. Vellinga sprake is van een misslag in het dictum. Dat kan een enkele keer voorkomen. Zo herstelde de Hoge Raad in zijn arrest van 13 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1609,
NJ2020/422, m.nt. Vellinga zelf een dergelijke misslag in het dictum van zijn arrest van 5 juli 2016 (zie mijn voetnoot 2). In zijn noot onder HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901,
NJ2019/380 wijst Vellinga evenwel op een andere mogelijkheid. Nadat hij terecht opmerkt dat honorering van de klacht geenszins noopte tot ook een vernietiging van de gevangenisstraf, sluit hij niet uit dat de vernietiging van de oplegging van de gevangenisstraf is ingegeven door de omstandigheid dat het arrest van 18 juni 2019 is gewezen ruim twee jaar na de veroordeling door het hof en op het moment van het wijzen van dit arrest de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM van twee jaar sinds het instellen van cassatie was overschreden dan wel bijna was overschreden. De Hoge Raad zou dan op die wijze het hof in de gelegenheid hebben willen stellen de (bijna) overschrijding zo nodig bij de strafoplegging te compenseren. De vraag rijst dan wel waarom de Hoge Raad daaraan niet kort een overweging met uitleg heeft gewijd, als de (bijna) overschrijding van de redelijke termijn de grond voor vernietiging van de gevangenisstraf zou zijn. Tegen zo een overweging zou zich niet iets hebben verzet, lijkt mij. Overigens is mij gebleken dat in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 18 juni 2019 namens de verdachte op 20 juni 2017 cassatie is ingesteld, zodat de Hoge Raad met zijn uitspraak net binnen de redelijke termijn bleef. De mogelijkheid die Vellinga in zijn noot oppert, lijkt mij derhalve niet heel waarschijnlijk. [8] Heeft de Hoge Raad met het dictum dan wellicht het hof na terugwijzing ruimte willen laten de op te leggen sancties in evenredigheid op elkaar te doen afstemmen, naast een toewijzende beslissing op de vordering van de benadeelde partij? [9] Dat acht ik evenmin aannemelijk, alleen al gelet op het verschil in aard van de gevangenisstraf enerzijds en de (op herstel en reparatie gerichte) schadevergoedingsmaatregel anderzijds, terwijl ook de duur van de gevangenisstraf die het hof bij zijn arrest van 15 juni 2017 had opgelegd daarvoor geen reden biedt. Daarbij zij aangetekend dat de voorliggende zaak in dit opzicht niet afwijkt van andere zaken waarin de terugwijzingsopdracht na cassatie zich wél beperkte tot de schadevergoedingsmaatregel en de vordering van de benadeelde partij.