Uitspraak
1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
Daarom zal de Hoge Raad met toepassing van artikel 8:36a, lid 5, Awb het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.
Hoge Raad
In deze zaak heeft J.S. Roseval namens [X] B.V. beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 17 september 2021. Het beroep in cassatie is per aangetekende brief ingediend, terwijl volgens het Besluit van 6 maart 2019 digitaal procederen verplicht is voor beroepsmatig optredende rechtsbijstandverleners bij uitspraken vanaf 15 april 2020.
De Hoge Raad ontving het beroepschrift op 20 oktober 2021 en heeft de indiener bij brief van 24 februari 2022 verzocht het beroepschrift alsnog digitaal in te dienen via het webportaal. Dit verzoek is aangetekend verzonden en bevestigd ontvangen, maar de indiener heeft hieraan geen gevolg gegeven.
Op grond van artikel 8:36a, lid 5, Awb verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er is geen veroordeling in proceskosten opgelegd. Het arrest is gewezen door de raadsheren Fierstra, Faase en Van Eijsden en uitgesproken op 20 mei 2022.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-digitaal indienen van het beroepschrift.