ECLI:NL:HR:2022:769
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Toepassing vrije ruimte werkkostenregeling bij werknemer zonder inhoudingsplichtige werkgever
Belanghebbende werkte als rijnvarende op motortankschepen en stond op de loonlijst van een Luxemburgse vennootschap. De Inspecteur had een deel van de socialeverzekeringspremies als pensioenpremies toegelaten in aftrek op het Nederlandse loon. Het Hof oordeelde dat belanghebbende in Nederland verplicht verzekerd was voor de volksverzekeringen en dat de E101-verklaring niet tot een ander oordeel leidde vanwege de toepassing van het Rijnvarendenverdrag.
Daarnaast oordeelde het Hof dat belanghebbende geen aftrek kon toepassen op grond van artikel 3.84, lid 2, Wet IB 2001, omdat niet was gesteld of gebleken dat vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in dat artikel in het loon waren opgenomen. De Hoge Raad verwierp het eerste middel en verklaarde het tweede middel gegrond, verwijzend naar een gelijktijdig arrest.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof voor zover het de aanslag over 2013 in stand liet en verwees de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling. Tevens werd de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd voor de aanslag 2013 en de zaak verwezen voor verdere behandeling.