Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2022:891

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 juni 2022
Publicatiedatum
16 juni 2022
Zaaknummer
22/00412
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:3 WvggzArt. 10:7 lid 1 WvggzArt. 10:12 lid 3 WvggzArt. 5 EVRMArt. 358 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing Hoge Raad over ontvankelijkheid cassatie in schadevergoeding wegens termijnoverschrijding Wvggz

Betrokkene diende een klacht in tegen een beslissing van de geneesheer-directeur over toewijzing van zorg, welke klacht door de klachtencommissie ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde de klacht gegrond voor het motiveringsgebrek, maar wees het verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de beslistermijn af wegens onvoldoende onderbouwing en niet ernstige termijnoverschrijding.

De Hoge Raad oordeelde dat op het verzoek tot schadevergoeding artikel 10:12 lid 3 Wvggz Pro van toepassing is, en dat hoger beroep tegen de beslissing op dit verzoek openstaat. Omdat betrokkene cassatie instelde tegen een beslissing waartegen hoger beroep mogelijk is, is hij niet-ontvankelijk in cassatie voor dat deel.

Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen. De Hoge Raad vond geen aanleiding om de overige klachten te behandelen, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

De beschikking bevestigt dat de procedurele regels inzake verzoeken tot schadevergoeding wegens termijnoverschrijding strikt worden toegepast en dat cassatie niet openstaat indien hoger beroep mogelijk is. Dit sluit aan bij eerdere jurisprudentie over de Wvggz en de procedurele waarborgen bij klachten en verzoeken tot schadevergoeding.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk voor het deel over schadevergoeding wegens termijnoverschrijding en voor het overige verworpen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer22/00412
Datum17 juni 2022
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: G.E.M. Later,
tegen
[verweerster], in haar hoedanigheid van geneesheer-directeur van GGZ ANTES, behorend tot de PARNASSIA GROEP,
kantoorhoudende te Rotterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de geneesheer-directeur,
advocaat: M.E. Bruning.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:
a. zijn beschikking van 16 juli 2021 in de zaak 21/00222, ECLI:NL:HR:2021:1162;
b. de beschikking na vernietiging en terugwijzing in de zaak C/10/602589/FA RK 20-6284 van de rechtbank Rotterdam van 8 november 2021.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De procesinleiding is aan deze beschikking gehecht.
De geneesheer-directeur heeft een verweerschrift tot referte ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal in buitengewone dienst F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep voor zover dit betrekking heeft op de beslissing van de rechtbank over de verzochte schadevergoeding. Voor het overige strekt de conclusie tot verwerping van het beroep.
De advocaat van betrokkene heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten

2.1
Op 6 augustus 2020 heeft betrokkene op de voet van art. 10:3, aanhef en onder l, Wvggz een klacht ingediend bij de klachtencommissie over de beslissing van de geneesheer-directeur om de zorg ten aanzien van betrokkene toe te wijzen aan GGZ Drenthe.
2.2
De klachtencommissie heeft deze klacht ongegrond verklaard.
2.3
Betrokkene heeft vervolgens op de voet van art. 10:7 lid 1 Wvggz Pro een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank ter verkrijging van een beslissing over de klacht.
2.4
Bij beschikking van 22 oktober 2020 heeft de rechtbank de klacht tegen de beslissing van de klachtencommissie gegrond verklaard voor het gedeelte dat ziet op de motivering van de beslissing en het meer of anders verzochte afgewezen.
2.5
De Hoge Raad heeft deze beschikking vernietigd en het geding teruggewezen ter verdere behandeling en beslissing. [1]
2.6
Tijdens het geding na cassatie heeft betrokkene schadevergoeding verzocht op de grond dat de rechtbank na de terugwijzing niet ‘speedily’ als bedoeld in art. 5 lid 4 EVRM Pro heeft beslist.
2.7
De rechtbank heeft, voor zover in cassatie van belang, de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard voor zover deze ziet op het motiveringsgebrek en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Zij heeft het verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de beslistermijn afgewezen op de gronden dat, hoewel verzoeker kan worden toegegeven dat de rechtbank niet de nodige voortvarendheid heeft betracht, de termijnoverschrijding niet van dien aard is dat dit een schadevergoeding zou rechtvaardigen, en dat betrokkene ook niet heeft onderbouwd waaruit zijn schade heeft bestaan. [2]

3.Beoordeling van het middel

3.1
Onderdeel 1 van het middel klaagt dat de afwijzing van de verzochte schadevergoeding wegens overschrijding van de beslistermijn onjuist is, althans onbegrijpelijk gemotiveerd, in het licht van art. 5 leden Pro 4 en 5 EVRM en art. 10:12 lid 3 Wvggz Pro.
3.2
Op het verzoek van betrokkene tot schadevergoeding op de grond dat de rechtbank na terugwijzing niet ‘speedily’ als bedoeld in art. 5 lid 4 EVRM Pro heeft beslist, is art. 10:12 lid 3 Wvggz Pro van toepassing. Hoger beroep tegen een beslissing op de voet van deze bepaling wordt in de Wvggz niet uitgesloten. Nu de regels inzake de verzoekschriftprocedure uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op een procedure ingevolge de Wvggz aanvullend van toepassing zijn, stond op grond van art. 358 lid 1 Rv Pro hoger beroep open tegen de beslissing van de rechtbank op het verzoek tot schadevergoeding. Ingevolge art. 78 lid 6 RO Pro is betrokkene dan ook niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep voor zover dat is gericht tegen de afwijzing van dit verzoek tot schadevergoeding. [3]
3.3
Onderdeel 2 kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart betrokkene niet-ontvankelijk in het beroep voor zover dat is gericht tegen de beslissing tot afwijzing van het verzoek tot schadevergoeding;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, A.E.B. ter Heide en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op
17 juni 2022.

Voetnoten

1.HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1162.
2.Rechtbank Rotterdam 8 november 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:10861.
3.HR 20 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1806, rov. 3.2.2.