ECLI:NL:HR:2022:930

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 juni 2022
Publicatiedatum
22 juni 2022
Zaaknummer
21/00522
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geen recht op WAO-hiaat-dekking en premievrije pensioenopbouw na beëindiging dienstverband

In deze zaak stond centraal de vraag of een werknemer, wiens dienstverband is geëindigd nadat hij arbeidsongeschikt was geworden maar voordat hij een WAO-uitkering ontving, recht heeft op WAO-hiaat-dekking en premievrije opbouw van ouderdomspensioen. De werknemer stelde dat de verzekeringsovereenkomst en het pensioenreglement dit recht boden.

De Hoge Raad verwees naar eerdere beslissingen van de kantonrechter Amsterdam en het gerechtshof Amsterdam, waarin deze kwesties reeds waren behandeld. Na beoordeling van de klachten over het arrest van het hof concludeerde de Hoge Raad dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden. De Hoge Raad zag geen noodzaak om de motivering van het oordeel te geven, omdat het beantwoorden van de vragen niet van belang was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en veroordeelde de eiser in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee werd het arrest van het gerechtshof bevestigd, waarmee de aanspraken van de werknemer op WAO-hiaat-dekking en premievrije pensioenopbouw werden verworpen.

Deze uitspraak onderstreept de strikte uitleg van verzekeringsovereenkomsten en pensioenreglementen in situaties waarin het dienstverband eindigt tijdens arbeidsongeschiktheid, en bevestigt dat aanspraken op WAO-hiaat-dekking en premievrije opbouw niet automatisch ontstaan in dergelijke omstandigheden.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de werknemer wordt verworpen en de aanspraken op WAO-hiaat-dekking en premievrije pensioenopbouw worden afgewezen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer21/00522
Datum24 juni 2022
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: aanvankelijk F.I. van Dorsser en thans J.C. Zevenberg,
tegen
SRLEV N.V., handelende onder de naam ZWITSERLEVEN,
gevestigd te Alkmaar,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: Zwitserleven,
advocaat: S.F. Sagel.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak 7249581 CV EXPL 18-21670 van de kantonrechter te Amsterdam van 8 april 2019;
het arrest in de zaak 200.262.745/01 van het gerechtshof Amsterdam van 10 november 2020.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Zwitserleven heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor Zwitserleven mede door E.M.T. Huijzer.
De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het beroep;
  • veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Zwitserleven begroot op € 916,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op
24 juni 2022.