Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
Eerste aanleg
Verzekeringen
Pensioen- en spaarfondsenwet (C-Polis)
13 Voortzetting
2 WAO-hiaat
Artikel 1 - Definities
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
WAO-hiaatuitkeringen evenmin aanspraak kan maken op premievrije opbouw van het
ouderdomspensioen, waaronder moet worden verstaan dat het ouderdomspensioen verder wordt opgebouwd zonder dat er premies hoeven te worden betaald, dus onder vrijstelling van premiebetaling. [16]
verzekeringsovereenkomsttussen [eiser] en Zwitserleven als zodanig grond geeft voor toewijzing. Na ontkennende beantwoording van die vraag, is het hof in tweede instantie ingegaan op de vraag of het
pensioenreglementvan [A] alsnog een grond voor toewijzing oplevert. Ook die vraag heeft het hof ontkennend beantwoord. Bij de bespreking van beide grondslagen is het hof tevens ingegaan op (tegen)argumenten van [eiser] . Hoewel het hof de vorderingen ter zake van het WAO-hiaat en de premievrije opbouw van het ouderdomspensioen niet separaat heeft besproken, doe ik dat hierna wel. Zo kan ik de redenering van het hof ten aanzien van de verschillende vorderingen het helderst weergeven.
WAO-hiaatuitkeringen. Daarbij is het hof als gezegd in de eerste plaats ingegaan op de
verzekeringsovereenkomst. Deze geeft [eiser] in dit geval geen recht op WAO-hiaatuitkeringen. Daarbij heeft het hof verschillende argumenten in beeld gebracht:
pensioenreglementdat [eiser] heeft gedaan in verband met het door hem geclaimde recht op WAO-hiaatuitkeringen. Dit beroep op het pensioenreglement gaat volgens het hof evenmin op (rov. 3.13. tot en met 3.15.). Daarbij heeft het hof de overwegingen van de kantonrechter met betrekking tot artikel 18 van Pro het pensioenreglement (“
In lid 2 van datzelfde artikel staat expliciet vermeld dat na beëindiging van het dienstverband het recht op een WAO-hiaatverzekering vervalt.” (rov. 7. uit het eindvonnis van de kantonrechter)) tot de zijne gemaakt, waaronder ook de overweging van de kantonrechter dat in artikel 18 en Pro in het pensioenreglement in het algemeen onderscheid moet worden gemaakt tussen ‘deelnemer’ en ‘gewezen deelnemer’ (“
en voor beide categorieën gelden andere regels” (rov. 9. uit het eindvonnis van de kantonrechter)) (rov. 3.14. en 3.15., eerste zin). Door [eiser] aangevoerde tegenargumenten, onder meer gebaseerd op artikel 3 van Pro het pensioenreglement, dat slechts een algemene beschrijving geeft van de verplichte onderdelen van de pensioenrechten en de keuzerechten van de deelnemer, leiden volgens het hof niet tot een ander oordeel (rov. 3.15., laatste zin). Voor [eiser] vordering ter zake van de WAO-hiaatuitkeringen is hiermee dus het doek gevallen.
ouderdomspensioen. Ook hier is het hof in de eerste plaats ingegaan op de vraag of de
verzekeringsovereenkomstdaarvoor een grondslag biedt. Dat is volgens het hof niet het geval, omdat deze aanspraak, mede gezien hetgeen het hof in rov. 3.6. heeft overwogen – in het bijzonder de omstandigheid dat [eiser] op 1 mei 2003 (de dag van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst) nog geen WAO-uitkering genoot – afstuit op het bepaalde in artikel 9 AOU7, bezien in verband met artikel 1 AOU7 (rov. 3.7.). Hiermee zal het hof hebben bedoeld dat op grond van artikel 9 AOU7 de prestatie ‘vrijstelling van premiebetaling’ (zie artikel 1 AOU7) is geëindigd [19] op 1 mei 2003, de dag waarop door de ontbinding van de arbeidsovereenkomst de medeverzekeringen bij arbeidsongeschiktheid zijn vervallen. [20] Ook op dit punt gaan [eiser] tegenargumenten niet op (rov. 3.8. tot en met 3.12.). En ook hier is het hof, gelet op het subsidiaire beroep dat [eiser] daarop heeft gedaan, in de tweede plaats ingegaan op het
pensioenreglement. Dit beroep gaat volgens het hof niet op (rov. 3.13. tot en met 3.15.). Daarbij heeft het hof de overwegingen van de kantonrechter met betrekking tot artikel 18 van Pro het pensioenreglement en het onderscheid dat (in artikel 18 en Pro in het pensioenreglement in het algemeen) gemaakt moet worden tussen ‘deelnemer’ en ‘gewezen deelnemer’ tot de zijne gemaakt (rov. 3.14. en 3.15., eerste zin). Die overwegingen van de kantonrechter, en daarmee dus ook het te maken onderscheid tussen ‘deelnemer’ en ‘gewezen deelnemer’, zijn volgens het hof gezien artikel 7 van Pro het pensioenreglement ook van toepassing op [eiser] vordering met betrekking tot de premievrije opbouw van het ouderdomspensioen (rov. 3.15. tweede zin). Toen [eiser] nog deelnemer was (van 1 mei 2001 tot 1 mei 2003), had hij geen recht op een WAO-uitkering en toen hij wel recht had op een WAO-uitkering, was hij geen deelnemer meer (rov. 3.15., derde zin). Door [eiser] aangevoerde tegenargumenten, onder meer gebaseerd op artikel 3 van Pro het pensioenreglement, dat slechts een algemene beschrijving geeft van de verplichte onderdelen van de pensioenrechten en de keuzerechten van de deelnemer, leiden volgens het hof niet tot een ander oordeel (rov. 3.15., laatste zin). Hiermee is het doek ook gevallen voor de vordering van [eiser] ter zake van premievrije opbouw van het ouderdomspensioen.
Haviltex-)uitleg van de pensioenverzekering overeengekomen tussen [eiser] en Zwitserleven, onderdeel 4 betreft de uitleg van het pensioenreglement. Onderdeel 3 voert aan dat het hof bij zijn uitleg van de pensioenverzekering de
Haviltex-norm heeft miskend. Onderdeel 4 houdt de klacht in dat het hof bij de uitleg van het pensioenreglement de CAO-norm heeft miskend.
[…] /Nationale Nederlanden-arrest. [23] Verder klaagt [eiser] dat het hof ten onrechte de begrippen ‘deelnemer’ van het pensioenreglement (rov. 3.14. en 3.15.) en het begrip ‘verzekerde’ van de polis en de aanvullende voorwaarden (rov. 3.5. tot en met 3.9.) niet heeft uitgelegd tegen de achtergrond van de wettelijke term ‘verzekerde’ in de zin van de WAO. Volgens [eiser] staat de door het hof gegeven uitleg, dat WAO-aanvulling alleen wordt gegeven indien sprake is van een dienstverband op het moment waarop de WAO-hiaatuitkering ingaat, op gespannen voet met het WAO-stelsel en het verzekeringskarakter van de WAO. Hij voert aan dat Zwitserleven zich niet aan de uitkeringsverplichting kan onttrekken met een beroep op beëindiging van de deelneming aan de pensioenregeling of het vervallen zijn van de verzekeringen, nu het verzekerde risico, in dit geval het risico op toekenning van een WAO-uitkering, zich al vóór de beëindiging van het dienstverband heeft verwezenlijkt. [24] Vervolgens klaagt [eiser] over hetgeen het hof in rov. 3.9. heeft overwogen met betrekking tot [eiser] beschouwing over art. 19 WAO Pro. Volgens [eiser] is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd in het licht van zijn stellingen [25] ten aanzien van de aard en de strekking van de verzekering (die voorziet in aanvulling van een WAO-gat) en het wettelijk systeem. Ten slotte houdt het onderdeel een voortbouwklacht in.
ontvangen(en
in die zinrecht had op WAO-uitkeringen). Dat het hof dit bedoeld heeft, blijkt uit rov. 3.7., waarin het hof verwijst naar “
het voorgaande, in het bijzonder de omstandigheid dat hij op 1 mei 2003 nog geen WAO-uitkering genoot”. Het blijkt ook uit de overweging van het hof in rov. 3.15. dat “
[eiser] toen hij nog deelnemer was (dus van 1 mei 2001 tot 1 mei 2003) geen recht op een WAO-uitkering had en dat hij, toen hij (wel) recht had op een WAO-uitkering, geen deelnemer meer was”. Ik wijs verder op de eerste zin van rov. 3.15., waarmee het hof zich heeft verenigd met de in rov. 3.14. geciteerde overwegingen van de kantonrechter. Het hof heeft daarbij onder meer tot de zijne gemaakt de overweging van de kantonrechter dat de WAO-hiaatverzekering een verzekering in aanvulling op de WAO-uitkering betreft en dat het toetsmoment voor toekenning van een uitkering (uit die WAO-hiaatverzekering) het moment is dat de wachttijd is verstreken en de WAO-vervolguitkering
ingaat.
krachtens de WAO recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering” (artikel 2 AV Pro WAO-hiaat) respectievelijk “
recht heeft op een W.A.O.-uitkering” (artikel 7 en Pro artikel 18 pensioenreglement Pro) moet worden verstaan een recht op het daadwerkelijk, op dat moment ontvangen van een WAO-uitkering – is mijns inziens juist. [26] Die uitleg strookt met de tekst van de genoemde bepalingen en past bij de systematiek van het pensioenreglement en de verzekering. Het ligt ook weinig voor de hand dat Zwitserleven bij het opstellen van de genoemde bepalingen bedoeld zal hebben aan te sluiten bij de door [eiser] voorgestane, meer juridische – want op een specifieke, door A-G Bakels bepleite [27] uitleg van art. 19 WAO Pro gebaseerde –, invulling van ‘recht hebben op een WAO-uitkering’. Volgens die uitleg ontstaat het recht op een WAO-uitkering op het moment waarop de arbeidsongeschiktheid intreedt. Maar dat recht is dan niet onmiddellijk opeisbaar, omdat er een wachttijd van 52 weken geldt (volgens Bakels is sprake van een opschortende tijdsbepaling) en evenmin onvoorwaardelijk (volgens Bakels heeft de beëindiging van de arbeidsongeschiktheid gedurende de wachttijd) te gelden als ontbindende voorwaarde). Van die specifieke, meer gecompliceerde uitleg van art. 19 WAO Pro kon [eiser] mijns inziens niet uitgaan.
[…] /Nationale Nederlanden-arrest, [28] waarop [eiser] zich in het kader van onderdeel 1 beroept, overwogen dat de tekst van (art. 19 van Pro) de WAO geen uitsluitsel geeft ten aanzien van de vraag
op welk momentde aanspraak ontstaat op een WAO-uitkering en van welke voorwaarden het ontstaan van deze aanspraak afhankelijk is. Uw Raad heeft vervolgens geen antwoord gegeven op deze vraag, omdat dat niet nodig was. Over het standpunt van A-G Bakels dat het recht op een WAO-uitkering ontstaat op het moment waarop de arbeidsongeschiktheid intreedt, [29] heeft Uw Raad zich ook niet uitgelaten. Weliswaar heeft Uw Raad in rov. 3.5 de drie voorwaarden genoemd waaraan volgens art. 19 WAO Pro voldaan moet zijn voor het bestaan van een recht op toekenning van een WAO-uitkering, maar dat heeft Uw Raad slechts gedaan om duidelijk te maken dat […] aan die voorwaarden voldeed, zodat enkel zijn uitzending naar Nigeria in de weg stond aan toekenning van een WAO-uitkering.
[…] /Nationale Nederlanden-arrest, waarin het ging om een naar Nigeria uitgezonden werknemer die in verband met zijn uitzending niet in aanmerking kwam voor een WAO-uitkering. De pensioenverzekering voorziet juist in gevallen die op zich wel onder de WAO vallen, in een recht (op vergoeding van een WAO-gat) dat niet door de WAO wordt verleend. Het past dus niet om bij beantwoording van de zojuist genoemde vraag ook art. 19 WAO Pro te betrekken.
alle andere stellingen van [eiser] die in het voorgaande nog niet zijn besproken” niet tot een ander oordeel kunnen leiden.
geschiktheid en dus niet arbeids
ongeschiktheid, A-G] leidt tot beëindiging van de verzekering van vrijstelling van premiebetaling.”
Na beëindiging van het dienstverband” moet worden afgeleid dat met ‘deelnemer’ in lid 1 bedoeld is de deelnemer
met een dienstverband. Dat onderscheid, tussen ‘deelnemer en ‘gewezen deelnemer’, wordt bovendien, zoals de kantonrechter heeft overwogen in een overweging die het hof de zijne heeft gemaakt (rov. 3.14. en 3.15., eerste zin), ook gemaakt in artikel 18 van Pro het pensioenreglement.
voor dat gedeelte van de verzekering waarvoor geen vrijstelling van premiebetaling wegens arbeidsongeschiktheid (meer) wordt verleend, worden gehandeld conform artikel 18” (lid 3, eerste alinea). Dit betekent dat de deelnemer na beëindiging van zijn dienstverband een premievrije aanspraak behoudt voor dat gedeelte van de verzekering waarvoor in verband met de beëindiging van het dienstverband geen premie meer zal worden betaald. De door de gewezen deelnemer opgebouwde waarde gaat niet verloren; hij behoudt, conform artikel 18, een premievrije aanspraak. De (gedeeltelijke of gehele) premievrijstelling die de deelnemer genoot op het moment dat zijn dienstverband werd beëindigd, blijft bestaan (lid 3, tweede alinea). Indien vervolgens, na de beëindiging van het dienstverband, het arbeidsongeschiktheidspercentage stijgt, leidt dat niet tot een hoger percentage vrijstelling; dit laatste percentage kan na beëindiging van het dienstverband enkel gelijk blijven of dalen (lid 3, tweede alinea). Wordt de deelnemer weer volledig arbeidsgeschikt, dan heeft hij geen recht meer op premievrijstelling (lid 3, derde alinea). Maar nogmaals, aan lid 3 wordt in dit geval niet toegekomen, omdat [eiser] geen recht heeft op premievrije opbouw van het ouderdomspensioen.
De prestaties eindigen indien en zodra de verzekering vervalt of de duur van de premiebetaling voor de verzekering is afgelopen.” In artikel 1 staat Pro dat “
vrijstelling van premiebetaling” onder het begrip “
prestaties” valt (zie randnummer 2.8 hiervoor). Het hof zal in rov. 3.7. hebben bedoeld dat op grond van artikel 9 AOU7 de prestatie ‘vrijstelling van premiebetaling’ (artikel 1 AOU7) is geëindigd op 1 mei 2003, de dag waarop door de ontbinding van de arbeidsovereenkomst de medeverzekeringen bij arbeidsongeschiktheid zijn vervallen (randnummer 3.6 hiervoor).
Amsterdam-Rotterdam Bank N.V. e.a./Nederlandsche Credietverzekering Maatschappij N.V.-arrest [33] en naar rov. 3.4, tweede alinea, van het
[…] /Nationale Nederlanden-arrest. [34] Volgens [eiser] is de
Haviltex-norm van toepassing en kan de vraag of de verzekeringsovereenkomst dekking biedt niet slechts worden beantwoord op grond van een letterlijke of grammaticale uitleg van de verzekeringsvoorwaarden. Volgens [eiser] zijn ook de aard en de strekking van de toezegging in het pensioenreglement en van de gesloten verzekering van belang.
Haviltex-norm, waarbij de aard en strekking van de pensioenverzekering in aanmerking moeten worden genomen. [40] In dit verband wijs ik erop dat [eiser] en Zwitserleven niet hebben onderhandeld over de tekst van de in het geding zijnde bepalingen van de pensioenverzekering; deze bepalingen zijn eenzijdig opgesteld door Zwitserleven. [41] Daarom is de uitleg daarvan met name afhankelijk van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepalingen zijn gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel. [42]
Haviltex-norm heeft miskend. Het onderdeel wijst niet op concrete overwegingen van het hof waaruit dit blijkt. Het onderdeel wijst ook niet op (de vindplaatsen in de gedingstukken van) door [eiser] ingenomen stellingen met betrekking tot, zoals het onderdeel dat verwoordt, “
aard en strekking van de toezegging in het pensioenreglement en van de gesloten verzekering”. Mijns inziens heeft het hof zich gehouden aan het door Uw Raad gegeven richtsnoer (randnummer 3.36 hiervoor) dat de uitleg van een bepaling in polisvoorwaarden, waarover tussen partijen niet onderhandeld pleegt te worden, [43] met name afhankelijk is van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel.
contra proferentem, waarbij hij overigens vermoedelijk niet het in randnummer 3.32 genoemde, door Uw Raad in de context van verzekering voor het eerst in het
Liszkay II-arrest [44] van 28 april 1989 geformuleerde gezichtspunt, maar het nadien in werking getreden art. 6:238 lid Pro 2, tweede zin, BW op het oog had. [eiser] heeft daarbij niet naar voren gebracht welke bepaling van het pensioenreglement of de verzekering onduidelijk is en waarom. Het hof was dan ook niet gehouden om nader op dat beroep in te gaan.
in hun verhoudingde CAO-norm [47] van toepassing is. In rov. 3.4 van het
Van Ens/Stichting Pensioenfonds ABP-arrest [48] heeft Uw Raad het volgende overwogen:
strijdig [is] met het verzekeringskarakter van een regeling als de prestaties bij arbeidsongeschiktheid geheel afhankelijk zijn van de toevallige datum waarop de arbeidsovereenkomst eindigt”. [51] Het hof mocht volstaan met het zich verenigen met de hiervoor in randnummer 3.45 genoemde overweging van de kantonrechter (rov. 3.15., eerste zin). In dit verband wijs ik erop dat [eiser] de stellingen waar hij in cassatie naar verwijst, [52] waaronder de zojuist geciteerde stelling, niet van enige onderbouwing heeft voorzien.
Allied Signal Carpet Fibers-arrest van Uw Raad. [55] In dat arrest liet Uw Raad het oordeel van de rechtbank Assen in stand, inhoudende dat artikel 1 en Pro artikel 5 lid 1 van Pro het WAO-aanvullingsreglement van werkgever Allied Signal Carpet Fibers BV aldus moeten worden uitgelegd dat slechts degene die op het moment waarop het recht op een WAO-uitkering ontstaat een arbeidsovereenkomst heeft met Allied Signal Carpet Fibers BV, recht heeft op de WAO-aanvulling en derhalve als deelnemer in de zin van het reglement heeft te gelden. De klacht dat de uitleg van de rechtbank onbegrijpelijk zou zijn, nu het erom ging een voorziening te bieden voor ieder die aanspraak had op een WAO-uitkering mits hij op de eerste ziektedag in dienst was van Allied Signal Carpet Fibers BV, werd door Uw Raad verworpen.