ECLI:NL:HR:2022:971

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juli 2022
Publicatiedatum
29 juni 2022
Zaaknummer
21/01118
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 350 lid 1 SrArt. 266 lid 1 SrArt. 267 lid 2 SrArt. 138 lid 1 Sr
Verwijzingen
10 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in zaak vernieling, belediging ambtenaar en lokaalvredebreuk met ISD-maatregel

In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor vernieling (art. 350 lid 1 Sr Pro), meermalen gepleegde belediging van een ambtenaar in functie (art. 266 lid 1 jo Pro. 267 lid 2 Sr) en lokaalvredebreuk (art. 138 lid 1 Sr Pro). Het hof Den Haag had de verdachte veroordeeld en een ISD-maatregel opgelegd op grond van art. 38m Sr.

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad beoordeelde onder meer of het hof mocht beschikken over een advies dat minder dan een jaar voor de terechtzitting was gedateerd en of de motivering van de opgelegde ISD-maatregel voldeed aan de wettelijke eisen.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte niet konden leiden tot vernietiging van het arrest. Daarbij was het niet nodig om de vragen te beantwoorden die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, zodat de Hoge Raad volstond met een verwijzing naar art. 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Het beroep werd derhalve verworpen, waarmee het arrest van het hof Den Haag in stand bleef. De uitspraak werd gedaan op 5 juli 2022 door de Strafkamer van de Hoge Raad, onder voorzitterschap van vice-president V. van den Brink en raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof Den Haag blijft in stand met oplegging van een ISD-maatregel.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/01118
Datum5 juli 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 1 maart 2021, nummer 22-000044-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
Namens de verdachte heeft D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
5 juli 2022.