Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
Namens de verdachte heeft D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, daarop schriftelijk gereageerd.
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
5 juli 2022.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor vernieling (art. 350 lid 1 Sr Pro), meermalen gepleegde belediging van een ambtenaar in functie (art. 266 lid 1 jo Pro. 267 lid 2 Sr) en lokaalvredebreuk (art. 138 lid 1 Sr Pro). Het hof Den Haag had de verdachte veroordeeld en een ISD-maatregel opgelegd op grond van art. 38m Sr.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad beoordeelde onder meer of het hof mocht beschikken over een advies dat minder dan een jaar voor de terechtzitting was gedateerd en of de motivering van de opgelegde ISD-maatregel voldeed aan de wettelijke eisen.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte niet konden leiden tot vernietiging van het arrest. Daarbij was het niet nodig om de vragen te beantwoorden die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, zodat de Hoge Raad volstond met een verwijzing naar art. 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het beroep werd derhalve verworpen, waarmee het arrest van het hof Den Haag in stand bleef. De uitspraak werd gedaan op 5 juli 2022 door de Strafkamer van de Hoge Raad, onder voorzitterschap van vice-president V. van den Brink en raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof Den Haag blijft in stand met oplegging van een ISD-maatregel.