Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
30 juni 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen een man en een vrouw over de uitleg van hun samenlevingsovereenkomst in het kader van personen- en familierecht. De man stelde dat het hof ten onrechte niet als uitgangspunt had genomen dat partijen bij de overeenkomst wilden aansluiten bij artikel 1:157 BW Pro.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere uitspraken van de rechtbank Den Haag en het gerechtshof Den Haag, waarin het geschil in feitelijke instanties werd behandeld. In cassatie heeft de man zijn klachten tegen het hofarrest ingebracht, terwijl de vrouw verweer voerde.
De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelt dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof en dat motivering niet vereist is omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
De Hoge Raad wijst het beroep af en bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt. Hiermee blijft het arrest van het hof in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.