ECLI:NL:PHR:2023:496

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 mei 2023
Publicatiedatum
12 mei 2023
Zaaknummer
22/01487
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:157 BW (oud)Art. 6:2 BWArt. 1:81 BWArt. 1:115 BWArt. 1:156 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg samenlevingsovereenkomst en alimentatiebeding bij beëindiging relatie ongehuwd samenwonenden

De zaak betreft een geschil tussen een man en een vrouw die een notarieel verleden samenlevingsovereenkomst sloten met een alimentatiebeding voor het geval van beëindiging van hun relatie. De man vorderde een bijdrage in zijn levensonderhoud na beëindiging van de relatie, gebaseerd op artikel XI van de overeenkomst. De rechtbank wees de vordering af wegens onvoldoende onderbouwing dat de man niet in zijn levensonderhoud kan voorzien. Het hof bekrachtigde dit oordeel en paste de Haviltex-maatstaf toe bij de uitleg van de overeenkomst, waarbij rekening werd gehouden met het opleidingsniveau van partijen en de rol van de notaris. Het hof oordeelde dat de man onvoldoende concrete feiten had gesteld om zijn aanspraak op alimentatie te rechtvaardigen, mede omdat hij zijn werkzaamheden vrijwillig had afgebouwd zonder medische noodzaak.

In cassatie bepleitte de man een uitlegregel die aansluit bij de wettelijke regeling voor gehuwden (art. 1:157 BW Pro oud), waarbij het uitgangspunt zou zijn dat partijen die bedoeling hadden tenzij uitdrukkelijk anders overeengekomen. De Hoge Raad verwierp dit en bevestigde dat samenwoners niet automatisch onder de wettelijke alimentatieregeling vallen, en dat de rechtsverhouding tussen samenwoners primair wordt beheerst door het algemene vermogensrecht en de afspraken in de samenlevingsovereenkomst. Ook de motiveringsklachten over het oordeel dat de man onvoldoende had onderbouwd niet in eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, werden verworpen.

De Hoge Raad benadrukte dat samenwonenden zelf hun rechtsverhouding moeten vormgeven en dat het niet passend is bij de uitleg van een samenlevingsovereenkomst uit te gaan van een wettelijke regeling die partijen bewust niet hebben gekozen. De uitspraak bevestigt de autonomie van samenwonenden en het belang van duidelijke afspraken in de samenlevingsovereenkomst.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de man heeft geen aanspraak op een uitkering tot levensonderhoud op grond van de samenlevingsovereenkomst.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/01487
Zitting12 mei 2023
CONCLUSIE
E.B. Rank-Berenschot
In de zaak
[de man]
eiser tot cassatie
adv.: mr. J.C. Zevenberg
tegen
[de vrouw]verweerster in cassatie
adv.: mr. H.J.W. Alt
Partijen worden hierna verkort aangeduid als
de manrespectievelijk
de vrouw.
De man en de vrouw hebben in hun notarieel verleden samenlevingsovereenkomst een bepaling doen opnemen omtrent het recht op een uitkering tot levensonderhoud bij beëindiging van de samenleving. In cassatie wordt een op dergelijke bedingen toegespitste uitlegregel bepleit, inhoudende dat als uitgangspunt heeft te gelden dat partijen de bedoeling hebben om aan te sluiten bij de wettelijke regeling van art. 1:157 (oud) BW, tenzij zij uitdrukkelijk anders zijn overeengekomen. Daarnaast richt de man motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof dat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat hij gedeeltelijk niet in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. Ik meen dat het cassatieberoep moet worden verworpen.

1.Feiten en procesverloop

1.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan: [1]
  • i) Partijen hebben een langdurige affectieve relatie gehad en met elkaar samengewoond. Uit deze relatie zijn twee kinderen geboren, die inmiddels meerderjarig zijn.
  • ii) De vrouw is arts. De man is afgestudeerd fiscaal jurist.
  • iii) Partijen hebben een samenlevingsovereenkomst gesloten op 5 november 1997 (hierna:
( iv) In de samenlevingsovereenkomst is in artikel XI met betrekking tot de bijdrage in de kosten van levensonderhoud na beëindiging van de samenleving het navolgende opgenomen:
“XI.
VERPLICHTING TOT LEVENSONDERHOUDIndien de samenleving wordt beëindigd kunnen partijen jegens elkaar aanspraak maken op een uitkering tot levensonderhoud.
Er bestaat aanspraak voor een uitkering:
a. [...]
b. ten behoeve van een partij indien een partij niet in staat is te voorzien in zijn levensonderhoud. De hoogte van deze uitkering dient te worden vastgesteld aan de hand van de zogenaamde Trema-norm of de daarvoor in de plaats getreden regeling.
De duur van deze verplichting dient in onderling overleg te worden vastgesteld en bij gebreke van overeenstemming door de rechter met dien verstande dat de maximale duur is vastgesteld op twaalf jaar.
Indien de partij die een uitkering tot levensonderhoud ontvangt, trouwt of hernieuwd gaat samenwonen danwel een voldoende inkomen verwerft om in zijn/haar eigen levensonderhoud te voorzien, vervalt de hier onder b. genoemde verplichting tot het verstrekken van een uitkering tot levensonderhoud.
Een op grond van dit artikel verstrekte of te verstrekken uitkering tot levensonderhoud kan bij rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken. Het bepaalde in Titel 17 van Boek 1 zoals dit thans geldt, is van overeenkomstige toepassing.” [3]
  • v) In mei 2016 is de relatie tussen de man en de vrouw beëindigd.
  • vi) Tussen partijen is een geschil ontstaan over de vraag of de vrouw aan de man een bijdrage in zijn kosten van levensonderhoud dient te voldoen.
1.2
Bij inleidende dagvaarding van 4 december 2019 heeft de man gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van € 3.722,97 netto per maand, te bruteren, met ingang van 20 augustus 2018, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag en ingangsdatum.
Hij heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de vrouw gehouden is tot nakoming van haar verplichting op grond van artikel XI van de samenlevingsovereenkomst tot betaling aan de man van een uitkering tot zijn levensonderhoud.
1.3
De vrouw heeft verweer gevoerd. [4] Verder heeft een nadere aktewisseling plaatsgevonden.
1.4
Bij vonnis van 23 september 2020 [5] heeft de rechtbank Den Haag de vordering van de man afgewezen.
Zij heeft daartoe overwogen dat uitleg van art. XI, aanhef en onder b, van de samenlevingsovereenkomst aan de hand van de Haviltex-maatstaf meebrengt dat de man alleen aanspraak kan maken op een bijdrage in de kosten van levensonderhoud indien komt vast te staan dat de man
geheel of gedeeltelijkniet in staat is om te voorzien in zijn levensonderhoud (rov. 4.6-4.7 [6] ) en dat op hem ter zake de stelplicht rust (rov 4.8). [7] De rechtbank is vervolgens ingegaan op het betoog van de man dat hij
nietin zijn levensonderhoud kan voorzien omdat hij geen enkele verdiencapaciteit heeft (rov. 4.9) respectievelijk zijn betoog dat hij
gedeeltelijk/
overwegendniet in staat is om in zijn levensonderhoud te voorzien (rov. 4.10). Zij is te dien aanzien tot het oordeel gekomen dat de man, in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw, onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat hij niet (gedeeltelijk) in staat is om in zijn levensonderhoud te voorzien, zodat geen contractuele aanspraak op een uitkering tot levensonderhoud bestaat (rov. 4.11).
1.5
De man is van dit vonnis in hoger beroep gekomen en heeft gevorderd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen en de man ten laste van de vrouw een uitkering tot levensonderhoud zal toekennen ter hoogte van € 3.600,- per maand met ingang van 20 augustus 2018, althans een bijdrage zal vaststellen per een datum als het hof juist acht. [8]
1.6
De vrouw heeft verweer gevoerd. [9]
1.7
Bij arrest van 25 januari 2022 [10] heeft het gerechtshof Den Haag het bestreden vonnis van 23 december 2020 bekrachtigd.
1.8
Het hof heeft daartoe onder meer als volgt overwogen.
“8. (...) Een samenlevingsovereenkomst dient overeenkomstig de Haviltex-maatstaf te worden uitgelegd. De Hoge Raad heeft in het Haviltex-arrest als volgt overwogen: “De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht”. In het onderhavige geval is sprake van een samenlevingsovereenkomst die is vastgelegd door een notaris in een notariële akte. Gezien de rol van de notaris in het rechtsverkeer gaat het hof ervan uit dat de notaris op een correcte wijze de wil van partijen in de samenlevingsovereenkomst heeft vastgelegd. Bij de uitleg van de gewraakte bepaling in de samenlevingsovereenkomst is dus eveneens van belang de tekst van de gewraakte bepaling.
9. (...)
10. Bij het aangaan van de samenlevingsovereenkomst was de man afgestudeerd fiscaal jurist en ondernemer, de vrouw was arts. Door de vrouw is gesteld dat beide partijen goed opgeleid waren en dat zij beide evenveel carrièremogelijkheden hadden. De redactie van de samenlevingsovereenkomst vindt het hof zorgvuldig en de tekst begrijpelijk gezien het opleidingsniveau van beide partijen. Uit de samenlevingsovereenkomst volgt dat partijen over veel onderwerpen hebben nagedacht en deze hebben vastgelegd in de overeenkomst; het hof verwijst onder meer naar de finale verrekening bij overlijden van de pensioenrechten en de bepalingen inzake de verplichting tot levensonderhoud na beëindiging van de relatie. Gezien de context waarbinnen partijen de samenlevingsovereenkomst hebben gesloten, te denken valt onder meer aan het opleidingsniveau van partijen en het feit dat partijen in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien, is het hof van oordeel dat een redelijke uitleg van de verplichting tot levensonderhoud na beëindiging van de relatie met zich mee brengt, dat van degene die een beroep doet op een aanspraak tot levensonderhoud, mag worden verlangd dat hij of zij voldoende feiten en omstandigheden stelt waaruit volgt dat hij of zij niet in staat is om in zijn of haar levensonderhoud te voorzien.
11. De stelling van de man dat partijen hebben willen aansluiten bij het wettelijke systeem voor partijen die met elkaar gehuwd zijn geweest acht het hof niet aannemelijk. Het feit dat in de tekst van de samenlevingsovereenkomst voor de rekenmethode is verwezen naar de Tremanormen brengt niet mee dat dan ook het wettelijke systeem van onderhoudsverplichtingen van gescheiden echtgenoten van toepassing is. Bij samenwoners zijn de bepalingen van boek 1 BW niet van toepassing. De relatie tussen samenwoners wordt beheerst door het algemene vermogensrecht.
12. De man stelt in zijn toelichting op grief 5 dat er een rolverdeling tussen partijen was, en wel in die zin dat de vrouw werkte en de man niet. Het hof begrijpt dat de man hiermee bedoelt dat hij het huishouden deed en de vrouw voor de inkomsten zorgde. In de visie van de vrouw is de man zelf begonnen met het afbouwen van zijn beroepsactiviteiten.
13. Het hof stelt vast dat partijen gedurende hun samenleving de samenlevingsovereenkomst niet hebben gewijzigd hoewel de verhoudingen tussen partijen wijzigden. De man heeft naar het oordeel van het hof geen feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat partijen op basis van gedrag stilzwijgend een andere invulling aan de samenlevingsovereenkomst hebben gegeven (dynamische uitleg). De man beroept zich expliciet op de samenlevingsovereenkomst zoals deze op 5 november 1997 tussen partijen tot stand is gekomen ten overstaan van [de notaris].
14. (...) Het hof is van oordeel dat de man onvoldoende heeft gesteld dat hij door omstandigheden – die zich hebben voorgedaan na het sluiten van de samenlevingsovereenkomst – niet in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. Dat de man gedurende zijn relatie met de vrouw zijn werkzaamheden heeft afgebouwd is een keuze van de man die in beginsel voor zijn risico komt. De man heeft in het geheel niet onderbouwd dat hij als gevolg van een medische noodzaak zijn werkzaamheden is gaan afbouwen. In de brief van de psycholoog van 6 mei 2020 staat dat de man in 2010 en 2013 onder behandeling is geweest. Het enkele feit dat iemand onder behandeling is van een psycholoog brengt niet zondermeer met zich mee dat hij niet meer kan werken. De brief van de psycholoog gaat over het verleden en het verre verleden. Naar het oordeel van het hof volgt niet uit de brief dat de man nu niet kan werken. Ook uit de brief van [de haptonoom] volgt naar het oordeel van het hof niet dat de man niet zelfstandig in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. Het hof is met de rechtbank van oordeel, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, dat de man onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat hij niet (gedeeltelijk) is staat is om in zijn levensonderhoud te voorzien. Daarmee bestaat er dus geen contractuele aanspraak van de man op een uitkering tot levensonderhoud jegens de vrouw op basis van de samenlevingsovereenkomst. De grieven van de man treffen dus geen doel.”
1.9
De man heeft bij procesinleiding van 21 april 2022 tijdig beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten, waarna de vrouw heeft gedupliceerd.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen. Deze keren zich tegen de wijze waarop het hof art. XI van de samenlevingsovereenkomst heeft uitgelegd (onderdeel I) respectievelijk toegepast (onderdeel II). Onderdeel III bevat een voortbouwklacht.
2.2
Bij de beoordeling van de klachten staat het volgende voorop.
Informeel samenleven
2.3
Wanneer twee personen in verband met een tussen hen bestaande affectieve relatie samenwonen en één huishouden voeren, maar deze stand van zaken niet hebben geformaliseerd in een huwelijk of geregistreerd partnerschap, kunnen zij – kortheidshalve – worden aangeduid als informeel samenlevenden. Tussen hen bestaat een mede door de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 BW Pro) beheerste rechtsverhouding, ook indien zij ervan hebben afgezien om over de vermogensrechtelijke aspecten van hun samenleven uitdrukkelijke of stilzwijgende afspraken te maken. [11]
2.4
Omdat informeel samenleven niet is geformaliseerd in een huwelijk of geregistreerd partnerschap, zijn de desbetreffende bepalingen van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek op de verhouding tussen informeel samenlevenden niet rechtstreeks van toepassing. Dit betekent dat de verhouding tussen de samenwoners in beginsel wordt beheerst door het algemene vermogensrecht. [12]
2.5
Het onderscheid tussen de publieke instituten huwelijk en geregistreerd partnerschap enerzijds en het privaat vormgegeven informeel samenleven anderzijds staat voorts aan
toepassing naar analogievan de bepalingen uit Boek 1 BW op informeel samenleven goeddeels in de weg. [13] In de literatuur is geopperd dat dit anders kan liggen voor bepalingen die vooral organisatorisch van aard zijn. [14] Daarnaast is opgemerkt dat de wettelijke regeling – die immers als redelijk en billijk geldt – kan dienen als inspiratie voor de invulling van de redelijkheid en billijkheid. Uw Raad heeft in 2019 met zoveel woorden geoordeeld dat de titels 6-8 van Boek 1 BW zich niet lenen voor analoge toepassing op de tussen informeel samenlevenden bestaande rechtsverhouding. [15]
2.6
Het voorgaande betekent onder meer dat er voor informeel samenlevenden, anders dan voor gehuwde of geregistreerde partners (art. 1:81 BW Pro), geen wettelijke plicht bestaat om elkaar het nodige te verschaffen. Volgens bestendige rechtspraak van uw Raad schept samenwonen geen rechtsplicht tot onderhoud. [16] Ook is er bij beëindiging van de relatie geen sprake van een wettelijke alimentatieverplichting. [17]
2.7
Informeel samenlevenden kunnen de tussen hen bestaande rechtsverhouding zelf vormgeven door middel van een samenlevingsovereenkomst, waarin zij onder meer een alimentatieregeling kunnen opnemen. Voor de totstandkoming van deze overeenkomst sui generis gelden geen vormvoorschriften. Of er sprake is van een dergelijke, eventueel zelfs stilzwijgend tot stand gekomen overeenkomst moet volgens de rechtspraak van uw Raad worden beoordeeld aan de hand van de Haviltexmaatstaf. [18] De Haviltex-maatstaf geldt ook voor de uitleg van de samenlevingsovereenkomst, waarbij de rechter rekening moet houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval en acht kan slaan op de wijze waarop partijen naderhand feitelijk invulling hebben gegeven aan de overeenkomst. Deze maatstaf geldt ook bij beantwoording van de vraag of afspraken (kunnen worden geacht te) zijn gewijzigd. [19]
2.8
Samenwoners kunnen een samenlevingsovereenkomst laten opmaken en vastleggen door een notaris. Het gaat hierbij niet om een totstandkomingsvereiste – anders dan voor bijvoorbeeld huwelijkse voorwaarden (art. 1:115 BW Pro) – maar een notariële samenlevingsovereenkomst is in de praktijk wel zeer gebruikelijk. Mijn ambtgenoot Lückers heeft uiteengezet dat het, waar door uw Raad bij de uitleg van huwelijkse voorwaarden de (subjectieve) Haviltex-maatstaf wordt toegepast, weinig twijfel lijdt dat dit ook dient te gelden bij de uitleg van een notarieel verleden samenlevingsovereenkomst en dat het een en ander des te meer geldt aangezien een samenlevingsovereenkomst (anders dan huwelijkse voorwaarden) in beginsel niet van invloed is op de rechtspositie van derden. [20]
2.9
Bij de toepassing van de Haviltex-maatstaf bij
huwelijkse voorwaardenkomt mede gewicht toe aan hetgeen de notaris in het kader van zijn voorlichting aan partijen heeft medegedeeld omtrent de inhoud en strekking van de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden, en aan de betekenis die veel voorkomende bepalingen in huwelijkse voorwaarden volgens notarieel gebruik normaal gesproken hebben. [21] De ratio van de voorgeschreven gang naar de notaris is immers te verzekeren dat de betrokken partijen een beter inzicht verkrijgen in wat zij willen en kunnen bereiken en dat nauwkeuriger en deskundiger wordt vastgelegd waartoe partijen zich jegens elkaar verbinden. Nu partijen niet zelden zullen varen op de deskundigheid van de notaris, mogen zij geacht worden zich jegens elkaar verbonden te hebben mede tot wat de notaris als deskundige inbrengt bij het inhoud geven aan de vermogensrechtelijke betrekking die uit het huwelijk voortvloeit. [22]
2.1
Het komt mij voor dat genoemde ratio voor het aan de notariële betrokkenheid toe te kennen gewicht ook geldt bij de uitleg van notarieel verleden samenlevingsovereenkomsten. [23] Daarbij kan betekenis toekomen aan de inhoud van de door de notaris gegeven voorlichting, maar ook aan het enkele feit dát de notaris betrokken is.
2.11
Mede gelet op het sterk toenemend aantal informeel samenlevenden is in de literatuur en de politiek met regelmaat aandacht gevraagd voor de problemen die het gevolg kunnen zijn van het ontbreken van een alimentatieregeling. [24] In het WODC-rapport ‘
Koude uitsluiting’ van november 2010 [25] is ingegaan op de vraag naar problemen en onbillijkheden bij scheiding van ongehuwd samenlevende partners. Als mogelijk instrument voor de wetgever is genoemd de introductie van een wettelijke regeling betreffende partneralimentatie, met de mogelijkheid van een
opt-out. [26] De staatssecretaris zag hierin echter een te ver gaande inbreuk op de partijautonomie en heeft mede op deze grond besloten niet tot invoering van een wettelijke regeling van alimentatie voor samenwoners over te gaan. [27]
2.12
Een decennium later, in 2021, is het WODC-rapport ‘
Alimentatie van nu’ aan de Tweede Kamer aangeboden. [28] Daarin is door de onderzoekers vastgesteld dat in weinig samenlevingscontracten een alimentatieplicht wordt opgenomen. [29] Zij concluderen dat er onder deskundigen grote verdeeldheid bestaat over goede gronden voor het introduceren van een wettelijke onderhoudsverplichting voor ongehuwd samenwonenden. Gelet op het toenemend aantal samenwoners, de gelijke aard van de relatie (lotsverbondenheid) en het feit dat ongehuwde samenlevers zich veelal niet bewust zijn van het ontbreken van een alimentatieplicht, bevelen de onderzoekers aan een alimentatieregeling voor ongehuwde samenlevers in de wet op te nemen. Deze zou volledig moeten aansluiten bij de alimentatieregeling voor gehuwden, met als toevoeging de mogelijkheid te allen tijde een
opt-outovereen te komen. [30]
2.13
In zijn brief van 17 april 2023 aan de Tweede Kamer [31] heeft de Minister voor Rechtsbescherming in reactie op het rapport aangegeven de aanbeveling niet te zullen opvolgen. Kernbegrippen zijn autonomie [32] en voorlichting:
“Ik hecht grote waarde aan autonomie van partners en ik vind het belangrijk dat (aanstaande) partners hier zelf een (bewuste) keuze in kunnen maken. De wet biedt met het huwelijk en het geregistreerd partnerschap twee laagdrempelige mogelijkheden om de onderlinge verhoudingen te regelen. Partners die niet kiezen voor een huwelijk of geregistreerd partnerschap hebben in de eerste plaats een eigen verantwoordelijkheid om met betrekking tot hun relatie afspraken te maken en financiële zaken te regelen, al dan niet in de vorm van een samenlevingsovereenkomst. Een onderhoudsverplichting kan onderdeel uitmaken van die afspraken. Maar er zijn ook ongehuwd samenwonenden die bewust geen afspraken maken. Ik sluit niet uit dat ongehuwd samenwonenden bij de beëindiging van hun relatie onbedoeld in financiële problemen kunnen komen. Ik vind het daarom belangrijk dat partners zich bewust zijn van de gevolgen die bij hun keuze van een bepaalde relatievorm horen en welke afspraken tussen partners mogelijk zijn, zoals over alimentatie. Daarbij hoort goede voorlichting. Daarom ga ik mij inzetten voor meer voorlichting over de verschillende juridische relatievormen en de financiële gevolgen daarvan bij beëindiging. Hiervoor zal ik mij richten op onder andere de digitale kanalen van de rijksoverheid en zal ik professionals, zoals notarissen en advocaten, vragen hier (meer) aandacht aan te schenken.” [33]
2.14
Op dit punt wijkt Nederland vooralsnog af van het Caribisch deel van het Koninkrijk. Aldaar bevat art. 1:408b BW de regeling dat indien twee personen langdurig samengeleefd hebben als waren zij gehuwd en aan deze samenleving anders dan door de dood een einde is gekomen, de rechter, indien dat redelijk is, aan een van hen op diens verzoek ten laste van de ander een uitkering tot levensonderhoud kan toekennen. Hierbij is het bepaalde omtrent een uitkering tot levensonderhoud aan een gewezen echtgenoot van overeenkomstige toepassing. [34]
2.15
Tegen deze achtergrond bespreek ik de middelonderdelen.
Onderdeel I
2.16
Onderdeel I komt op tegen de door het hof aan art. XI, aanhef en sub b, van de samenlevingsovereenkomst gegeven uitleg. Het valt uiteen in twee subonderdelen.
2.17
Subonderdeel 1.1klaagt dat het hof, door in rov. 10 (uitsluitend) uit te gaan van de tekst van de samenlevingsovereenkomst (en daarmee de stelplicht en bewijslast van een andere uitleg op de man te leggen) heeft miskend dat
bij de uitleg van een postrelationele regeling tussen ex-ongehuwd samenlevers als uitgangspunt heeft te gelden dat partijen de bedoeling hebben gehad om bij de bepalingen van art. 1:157 (oud) BW aan te sluiten.
Althans zou, naar het hof heeft miskend, dit uitgangspunt in ieder geval gelden indien sprake is geweest van één of meer van de omstandigheden als aan de orde in het onderhavige geval, te weten (1) een langdurige periode van samenleven, (2) tijdens de periode van samenleven zijn kinderen geboren (3) één van partijen heeft de zorgtaken op zich genomen, (4) in de samenlevingsovereenkomst is aangesloten bij de Trema-normen, (5) in de samenlevingsovereenkomst is opgenomen dat de alimentatieverplichting door de rechter kan worden gewijzigd, in welk geval het bepaalde in Titel 17 van Boek 1 BW van toepassing, en (6) de duur van de verplichting tot levensonderhoud is beperkt tot maximaal 12 jaar, waarmee eveneens is verwezen naar de wettelijke regeling.
Subonderdeel 1.2klaagt (
ten eerste [35] ) dat het hof, gegeven voormeld uitgangspunt, ten onrechte is voorbijgegaan aan de als essentieel aan te merken stellingen dat (i) de alimentatie in de samenlevingsovereenkomst is gemaximeerd tot twaalf jaar, overeenkomstig de wettelijke regeling, en (ii) in art. XI is bepaald dat de alimentatieverplichting door de rechter kan worden gewijzigd, in welk geval het bepaalde in Titel 17 van Boek 1 BW van toepassing is.
2.18
Daarbij valt op te merken dat de achtergrond van deze klachten is dat de man ervan uitgaat dat de toepasselijkheid van art. 1:157 (oud) BW c.q. de wettelijke regeling van Titel 17 van Boek 1 BW meebrengt dat hij “aanspraak kan maken op een uitkering tot levensonderhoud en dus niet – zoals de rechtbank heeft geoordeeld – alleen in het geval dat komt vast te staan dat [de man]
geheel of gedeeltelijk niet in staat is te voorzien in zijn levensonderhoud”. [36] Ik laat de juistheid van deze veronderstelling – en daarmee het belang van de klachten – in het midden. [37]
2.19
De klachten falen om meerdere redenen.
2.2
Ten eerste blijkt uit de bestreden rechtsoverweging 10 – mede gelezen in verband met de eraan voorafgaande rov. 8-9 – dat het hof niet is uitgegaan van uitsluitend de tekst van de samenlevingsovereenkomst. Het hof heeft immers de Haviltex-norm toegepast en daarbij uitdrukkelijk rekening gehouden met onder meer de maatschappelijke positie en het opleidingsniveau van partijen, de rol van de notaris bij het vastleggen van de samenlevingsovereenkomst en de redelijkheid en billijkheid. Voorts bevat deze rechtsoverweging geen oordeel over stelplicht en/of bewijslast in verband met uitleg van de samenlevingsovereenkomst. In zoverre ontberen de klachten feitelijke grondslag.
2.21
Ten tweede falen de klachten omdat zij berusten op een onjuiste rechtsopvatting.
2.22
Volgens de man dient, gelet op de maatschappelijke ontwikkelingen van de afgelopen decennia, bij de uitleg van een postrelationele regeling tussen ex-ongehuwd samenlevenden het
uitgangspunt te zijn dat partijen de bedoeling hebben gehad om aan te sluiten bij de bepalingen van art. 1:157 e.v. (oud) BW [38] en dat zich daarin ook de gemeenschappelijke subjectieve partijbedoeling van partijen laat vinden,
tenzijpartijen uitdrukkelijk anders zijn overeengekomen. Dit geldt temeer in bijzondere omstandigheden zoals die zich voordoen in het onderhavige geval. Indien het hof dit niet heeft miskend, heeft het, door niet kenbaar de in subonderdeel 1.2 genoemde omstandigheden in zijn beslissing te betrekken, zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, aldus de man (s.t., nrs. 1.3 en 2.14-2.15).
2.23
Het onderdeel bepleit dus – binnen de Haviltex-maatstaf – een nieuwe, op samenlevingsovereenkomsten toegespitste uitlegregel, die blijkens de schriftelijke toelichting zou voortvloeien uit (of ten minste gerechtvaardigd zou worden door) gewijzigde maatschappelijke opvattingen over huwelijk en samenwonen. Daartoe verwijst de toelichting onder meer naar de hiervoor aangehaalde WODC-rapporten. In de bedoelde rapporten zijn – zoals hierboven reeds vermeld – zorgen geuit over veelal afwezige alimentatievoorzieningen voor gewezen informeel samenlevenden. Er zijn ook oplossingen voor de geconstateerde problematiek gesuggereerd, waaronder een wettelijke regeling aansluitend bij die voor gehuwden, voorzien van een
opt-out-mogelijkheid. De bepleite uitlegregel sluit daarbij aan. Bovendien bestaat tussen gehuwd en ongehuwd samenlevenden een zelfde mate van lotsverbondenheid, aldus de man (s.t., nrs. 2.1-2.11).
2.24
Naar mijn mening mag bij dit alles niet uit het oog worden verloren dat (adspirant-) samenwonenden kunnen kiezen voor een huwelijk of geregistreerd partnerschap met alle daaraan van rechtswege verbonden rechtsgevolgen en dat zo zij dat niet doen, zij hun rechtsverhouding (desgewenst) zelf vorm moeten geven. Wanneer zij dat doen door middel van een samenlevingsovereenkomst, wordt met iedere overeengekomen bepaling de rechtsverhouding nader ingevuld. Bij dit vertrekpunt past niet dat bij de uitleg van de samenlevingsovereenkomst wordt uitgegaan van de toepasselijkheid van een regelpakket waarvoor partijen initieel (mogelijk bewust) juist niet hebben gekozen, en dat zij dit vervolgens in hun overeenkomst uitdrukkelijk moeten uitschakelen.
2.25
Voorts heeft, zoals opgemerkt hiervoor onder 2.13, de Minister onlangs in zijn reactie op het laatste WODC-rapport het uitgangspunt van een ‘wettelijke alimentatieplicht, tenzij’ uitdrukkelijk verworpen. Ook in dat licht is er naar mijn mening op dit moment geen plaats voor een op diezelfde constructie (‘alimentatie, tenzij’) gebaseerde uitlegregel voor samenlevingsovereenkomsten. [39] Dit geldt in ieder geval voor een in 1997 gesloten samenlevingsovereenkomst als de onderhavige.
2.26
In verband met het voorgaande falen zowel de klacht van subonderdeel 1.1 als de daarop voortbouwende (eerste) klacht van subonderdeel 1.2.
2.27
Subonderdeel 1.2klaagt
ten tweede, zo begrijp ik, dat het hof (ook) in het kader van diens wijze van toepassing van de Haviltex-maatstaf (‘uitgaande van de tekst’) ten onrechte voorbij is gegaan aan de als essentieel aan te merken stellingen van de man dat:
(i) art. XI de alimentatie maximeert tot 12 jaar, overeenkomstig de wettelijke regeling, en
(ii) art. XI bepaalt dat de alimentatieverplichting door de rechter kan worden gewijzigd, in welk geval het bepaalde in Titel 17 van Boek 1 BW van toepassing. [40] Daartoe wordt aangevoerd dat bij de uitleg van een overeenkomst alle omstandigheden dienen te worden betrokken. Indien het hof van mening is geweest dat dit niet voor voornoemde omstandigheden geldt, is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het hof wel is uitgegaan van een juiste rechtsopvatting dan heeft het, door deze omstandigheden niet kenbaar in zijn beslissing te betrekken, zijn arrest onvoldoende gemotiveerd, aldus het subonderdeel.
2.28
In zijn memorie van grieven (p. 2-3) heeft de man betoogd dat de uitleg van art. XI van de samenlevingsovereenkomst hetzelfde behoort te zijn als de wettelijke regeling van de verplichting tot levensonderhoud in de artikelen 1:392 en 397 BW. Volgens de man hebben partijen nimmer beoogd om van de wettelijke regeling in Boek 1, Titel 17 BW af te wijken, hetgeen zou blijken uit de verwijzingen naar die wettelijke regeling zoals die (impliciet) vervat zijn in de bepalingen van art. XI betreffende (i) de hoogte van de uitkering (verwijzing naar de Trema-norm), (ii) de rechterlijke wijziging van de uitkering (met verwijzing naar Titel 17 van Boek 1 BW), en (iii) de maximale duur van de uitkering.
2.29
Het hof heeft dit betoog onderkend (zie rov. 6 sub a-c) en het vervolgens beoordeeld (rov. 11). Daarbij heeft het hof de gepretendeerde aansluiting bij het wettelijk systeem verworpen op de grond dat de verwijzing naar de Tremanorm niet meebrengt dat dan ook het wettelijk systeem van onderhoudsverplichtingen van gescheiden echtgenoten van toepassing is, waaraan het heeft toegevoegd dat bij samenwonen de bepalingen van Boek 1 BW niet van toepassing zijn. In dit oordeel ligt besloten dat ook de inhoudelijke aansluiting bij het wettelijk systeem op het punt van de maximale duur en de wijziging van de uitkering niet meebrengt dat de wettelijke regeling van alimentatie voor gescheiden echtgenoten integraal van toepassing is. Het hof heeft de stellingen dus verworpen. De klachten falen bij gebrek aan feitelijke grondslag.
2.3
Uit het voorgaande volgt dat onderdeel I geen doel treft.
Onderdeel II
2.31
Middelonderdeel II richt zich tegen rechtsoverweging 14, waarin het hof – met de rechtbank – tot het oordeel komt dat de man onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat hij niet (gedeeltelijk) is staat is om in zijn levensonderhoud te voorzien, zodat er geen contractuele aanspraak op alimentatie bestaat. Het onderdeel valt uiteen in drie subonderdelen.
2.32
Subonderdeel 2.1is gericht tegen het oordeel van het hof dat de omstandigheid dat de man gedurende zijn relatie met de vrouw zijn werkzaamheden heeft afgebouwd een
keuze van de man is die in beginsel voor zijn risicokomt (rov. 14, 3e volzin).
2.33
Geklaagd wordt dat deze rechtsoverweging rechtens onjuist is. Deze rechtsklacht voldoet niet aan de daaraan op de voet van art. 407 lid 2 Rv Pro te stellen eisen, nu niet is toegelicht waarom de overweging volgens het middel rechtens onjuist is.
2.34
Voorts wordt geklaagd dat het bestreden oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is in het licht van de uitdrukkelijke stelling van de man dat hij door de keuzes die partijen
gezamenlijkin het verleden hebben gemaakt niet in staat is volledig in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. [41] De man wijst erop dat, naar hij heeft gesteld, (i) partijen gedurende zeer lange tijd met elkaar hebben samengewoond, en (ii) de man gedurende die samenwoning de zorgtaken voor de kinderen op zich heeft genomen. Ook wordt verwezen naar zijn stellingen (iii) dat hij reeds voor het beëindigen van de relatie is begonnen met het opstarten van een eigen onderneming, (iv) dat hij thans de taks van zijn verdiencapaciteit heeft bereikt, (v) en dat dit blijkt uit de omzet over 2019 en 2020.
2.35
Deze motiveringsklacht faalt. Het hof heeft onder ogen gezien dat de man zich in zijn toelichting op grief 5 [42] heeft beroepen op het bestaan van een rolverdeling tussen partijen waartegenover de vrouw zich op het standpunt stelt dat de man zelf is begonnen met het afbouwen van zijn beroepsactiviteiten (rov. 12). Het hof heeft kennelijk in het midden gelaten of daarbij al of niet sprake was van een
gezamenlijkekeuze: niet alleen spreekt het hof in het kader van de uitleg van de overeenkomst (neutraal) van ‘een wijziging van de verhoudingen’ (rov. 13), maar ook wordt in de bestreden rov. 14 uitgegaan van een
in beginselvoor risico van de man komende eigen keuze. Deze overweging moet kennelijk worden gelezen in verband met de daarop volgende (“De man heeft in het geheel niet onderbouwd dat hij als gevolg van een medische noodzaak zijn werkzaamheden is gaan afbouwen.” De (al of niet gezamenlijke)
keuzevoor afbouw van de werkzaamheden wordt door het hof dus afgezet tegen een
medische noodzaakvoor zodanige afbouw, welke noodzaak naar het oordeel van het hof niet is komen vast te staan. Aldus is de bestreden kwalificatie (‘eigen’ versus ‘gezamenlijk’) niet dragend voor het bereikte eindoordeel.
2.36
Ook als de man toch belang zou hebben bij de klacht, moet deze falen. De gestelde omstandigheden omtrent (i) de duur van de samenwoning en (ii) de door de man vervulde zorgtaken maken het oordeel dat de man ervoor heeft gekozen zijn werkzaamheden af te bouwen niet onbegrijpelijk. Dit geldt temeer voor de stellingen (iii) tot en met (v).
2.37
Het een en ander brengt mee dat subonderdeel 2.1 faalt.
2.38
Subonderdeel 2.2keert zich tegen het oordeel van het hof dat uit de brieven van de psycholoog en de haptonoom niet blijkt dat de man niet zelfstandig in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien (rov. 14). Geklaagd wordt dat de uitleg van deze brieven niet voldoende begrijpelijk is.
2.39
Met betrekking tot
de brief van de psycholoog van 6 mei 2020 [43] wordt in dit verband aangevoerd dat daarin wordt aangegeven dat de man op dat moment onder behandeling is, dat er sprake is van een grote afstand tot de arbeidsmarkt, en dat de spanning rond het einde van de relatie niet bevorderend is op de mogelijkheden om zijn werkzaamheden uit te breiden.
Met betrekking tot
de brief van de haptonoom van 16 februari 2020 [44] wordt gewezen op de daarin uitgesproken verwachting dat de aanstaande gedwongen verhuizing van de man een flinke terugslag zal hebben op zijn productiviteit en dus ook zijn verdiencapaciteit.
Volgens het subonderdeel laat zich uit die brieven afleiden dat de man nu (lees: ten tijde van de uitspraak van het hof) ten minste
gedeeltelijkniet kan werken c.q. een beperkte verdiencapaciteit heeft. In dit verband verwijst het subonderdeel tevens naar de stellingen van de man over een reeds voor het beëindigen van de relatie gestarte eigen onderneming en de daarin gegenereerde inkomsten. [45]
2.4
De klachten falen. De rechtbank heeft de stelling van de man dat hij door zijn psychische problematiek
gedeeltelijkniet in staat is om in zijn levensonderhoud te voorzien verworpen op de grond dat, uitgaande van een uit de brieven van de behandelaars gebleken beperkte verdiencapaciteit, niet (arbeidsdeskundig) is onderbouwd om welke beperking het gaat en welke gevolgen die beperking heeft voor de werkzaamheden die de man reeds verricht en die hij nog zou kunnen verrichten (vonnis, rov. 4.10). Dit oordeel is in hoger beroep niet bestreden, [46] zodat het hof de rechtbank kon volgen in haar oordeel dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat hij gedeeltelijk niet in staat is om in zijn levensonderhoud te voorzien. Voorts volgt uit de enkele stellingen van de man over de gegenereerde inkomsten uit onderneming niet dat hij niet meer zou kunnen verdienen.
2.41
Subonderdeel 2.3berust op de lezing dat het hof van oordeel is dat de man slechts
gedeeltelijkin staat is in zijn levensonderhoud te voorzien. Het klaagt dat in dat geval onbegrijpelijk is dat het hof niet enige verplichting tot levensonderhoud heeft opgelegd.
2.42
Naar het aldus te begrijpen oordeel van het hof heeft de man alleen recht op een uitkering tot levensonderhoud indien komt vast te staan dat hij geheel of gedeeltelijk niet in staat is te voorzien in zijn levensonderhoud. [47] Het hof heeft de rechtbank gevolgd in haar oordeel [48] dat de man onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat hij geheel of gedeeltelijk niet in staat is om in zijn levensonderhoud te voorzien (door de rechtbank, gevolgd door het hof, wat ongelukkig samengevat als het oordeel dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat hij “
niet (gedeeltelijk) in staat” is om in zijn levensonderhoud te voorzien). De klacht berust dus op een verkeerde lezing van het arrest en faalt.
2.43
Uit het voorgaande volgt dat alle klachten van middelonderdeel II falen.
Onderdeel III
2.44
De voortbouwklacht van onderdeel III faalt in het kielzog van de voorgaande onderdelen.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Ontleend aan Hof Den Haag 25 januari 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2648 (hierna ook:
2.Inl. dagvaarding, productie 1.
3.Citaat ontleend aan rov. 2.2 van het vonnis van 23 september 2020. In het bestreden arrest, p. 2, wordt de bepaling slechts gedeeltelijk aangehaald.
4.De vrouw heeft voorts in reconventie een gebruiksvergoeding voor de woning gevorderd. Deze reconventionele vordering is in cassatie niet van belang en blijft hierna buiten beschouwing.
5.Rb. Den Haag 23 september 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:13887.
6.De rechtbank heeft o.m. geoordeeld (i) dat de bewoordingen van art. XI geen andere uitleg toelaten dan dat het niet in staat zijn te voorzien in het levensonderhoud geldt als een
7.Zie ook de weergave in het bestreden arrest, rov. 5.
8.Bestreden arrest, rov. 2.
9.De vrouw heeft tevens incidenteel appel ingesteld tegen de proceskostenveroordeling. Dit blijft hierna buiten beschouwing.
10.Hof Den Haag 25 januari 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2648.
11.HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707,
12.Vgl. HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707,
13.W.M. Schrama,
14.Van Mourik & Schols, a.w., nr. 130 noemen als voorbeeld de bewijsbepaling van art. 1:131 BW Pro.
15.HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707,
16.HR 9 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AJ3784,
17.Schrama,
18.HR 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9539,
19.HR 22 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX1571,
20.A-G Luckers, conclusie (ECLI:NL:PHR:2019:472) onder 2.25-2.30, voor HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1169 (art. 81 RO Pro).
21.HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1564,
22.A-G Wuisman, conclusie (onder 2.3) vóór het in de vorige noot geciteerde arrest.
23.Zo ook annotator Wissink in zijn noot onder het arrest,
24.Zie A-G Langemeijer, conclusie voor HR 10 mei 2019,
25.M.V. Antokolskaia e.a.,
26.Rapport, par. 5.4.
27.Brief van de Staatssecretaris van V en J van 28 februari 2012,
28.W.D. Kolkman e.a.,
29.Rapport, p. 120.
30.Rapport, hoofdstuk 7 (i.h.b. p. 360) en p. 390-392.
31.Brief van 17 april 2023,
32.Zie over dit argument ook reeds het antwoord van de Minister voor Rechtsbescherming op Kamervragen,
33.In de bij de brief gevoegde Beslisnota worden als argumenten tegen opvolging van de aanbeveling ook nog genoemd dat er geen (grote) maatschappelijke meerderheid voor het invoeren van een wettelijke bepaling bestaat, dat het alimentatiestelsel mogelijk ingewikkelder zal worden omdat er ook voor ongehuwd samenwonenden richtlijnen opgesteld zullen moeten worden en dat de druk op de rechtspraak kan toenemen (p. 3).
34.Zie over deze regeling nader Van Mourik & Schols,
35.Subonderdeel 1.2 bevat tevens een tweede klacht, waarover hierna alinea 2.27.
36.MvG, p. 3 (toelichting bij grieven 1 en 2, slot).
37.Zoals de man onderkent (MvG p. 3) wordt ook de aanspraak op alimentatie van gewezen echtgenoten (mede) bepaald door behoeftigheid. De vraag is dus of toepassing van de wettelijke regeling tot een andere uitkomst zou leiden.
38.Hierbij gaat het om art. 1:157 BW Pro zoals dat luidde tot 1 januari 2020: ‘1. De rechter kan bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak aan de echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven, op diens verzoek ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toekennen. 2. Bij de vaststelling van de uitkering kan de rechter rekening houden met de behoefte aan een voorziening in het levensonderhoud voor het geval van overlijden van degene die tot de uitkering is gehouden. 3. (…)’. Vgl. thans art. 1:156 BW Pro.
39.Vgl. HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1724,
40.Het subonderdeel verwijst voor beide stellingen naar MvG, p. 3.
41.Het subonderdeel verwijst naar inl. dagvaarding nr. 23.
42.MvG, p. 4, toelichting op grief 5 vermeldt: “
43.Productie 15 bij akte uitlating t.b.v. schriftelijke afdoening zijdens de man d.d. 8 mei 2020.
44.Productie 16 bij akte uitlating t.b.v. schriftelijke afdoening zijdens de man d.d. 8 mei 2020.
45.Op de aangegeven vindplaats (MvG, p. 4-5) heeft de man betoogd dat hij sinds 1 oktober 2013 een onderneming drijft waarin hij in de jaren 2019 en 2020 een gemiddelde winst van € 582 respectievelijk € 969 per maand heeft behaald.
46.De tegen
47.Zie vonnis, rov. 4.7. De daartegen gerichte grieven 1, 2 en 4 zijn door het hof verworpen.
48.Vonnis, rov. 4.11. De daartegen gerichte grief 3 is door het hof verworpen.