Conclusie
adv.: mr. J.C. Zevenberg
adv.: mr. H.J.W. Alt
de manrespectievelijk
de vrouw.
1.Feiten en procesverloop
- i) Partijen hebben een langdurige affectieve relatie gehad en met elkaar samengewoond. Uit deze relatie zijn twee kinderen geboren, die inmiddels meerderjarig zijn.
- ii) De vrouw is arts. De man is afgestudeerd fiscaal jurist.
- iii) Partijen hebben een samenlevingsovereenkomst gesloten op 5 november 1997 (hierna:
VERPLICHTING TOT LEVENSONDERHOUDIndien de samenleving wordt beëindigd kunnen partijen jegens elkaar aanspraak maken op een uitkering tot levensonderhoud.
Er bestaat aanspraak voor een uitkering:
De duur van deze verplichting dient in onderling overleg te worden vastgesteld en bij gebreke van overeenstemming door de rechter met dien verstande dat de maximale duur is vastgesteld op twaalf jaar.
Indien de partij die een uitkering tot levensonderhoud ontvangt, trouwt of hernieuwd gaat samenwonen danwel een voldoende inkomen verwerft om in zijn/haar eigen levensonderhoud te voorzien, vervalt de hier onder b. genoemde verplichting tot het verstrekken van een uitkering tot levensonderhoud.
- v) In mei 2016 is de relatie tussen de man en de vrouw beëindigd.
- vi) Tussen partijen is een geschil ontstaan over de vraag of de vrouw aan de man een bijdrage in zijn kosten van levensonderhoud dient te voldoen.
Hij heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de vrouw gehouden is tot nakoming van haar verplichting op grond van artikel XI van de samenlevingsovereenkomst tot betaling aan de man van een uitkering tot zijn levensonderhoud.
Zij heeft daartoe overwogen dat uitleg van art. XI, aanhef en onder b, van de samenlevingsovereenkomst aan de hand van de Haviltex-maatstaf meebrengt dat de man alleen aanspraak kan maken op een bijdrage in de kosten van levensonderhoud indien komt vast te staan dat de man
geheel of gedeeltelijkniet in staat is om te voorzien in zijn levensonderhoud (rov. 4.6-4.7 [6] ) en dat op hem ter zake de stelplicht rust (rov 4.8). [7] De rechtbank is vervolgens ingegaan op het betoog van de man dat hij
nietin zijn levensonderhoud kan voorzien omdat hij geen enkele verdiencapaciteit heeft (rov. 4.9) respectievelijk zijn betoog dat hij
gedeeltelijk/
overwegendniet in staat is om in zijn levensonderhoud te voorzien (rov. 4.10). Zij is te dien aanzien tot het oordeel gekomen dat de man, in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw, onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat hij niet (gedeeltelijk) in staat is om in zijn levensonderhoud te voorzien, zodat geen contractuele aanspraak op een uitkering tot levensonderhoud bestaat (rov. 4.11).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
toepassing naar analogievan de bepalingen uit Boek 1 BW op informeel samenleven goeddeels in de weg. [13] In de literatuur is geopperd dat dit anders kan liggen voor bepalingen die vooral organisatorisch van aard zijn. [14] Daarnaast is opgemerkt dat de wettelijke regeling – die immers als redelijk en billijk geldt – kan dienen als inspiratie voor de invulling van de redelijkheid en billijkheid. Uw Raad heeft in 2019 met zoveel woorden geoordeeld dat de titels 6-8 van Boek 1 BW zich niet lenen voor analoge toepassing op de tussen informeel samenlevenden bestaande rechtsverhouding. [15]
huwelijkse voorwaardenkomt mede gewicht toe aan hetgeen de notaris in het kader van zijn voorlichting aan partijen heeft medegedeeld omtrent de inhoud en strekking van de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden, en aan de betekenis die veel voorkomende bepalingen in huwelijkse voorwaarden volgens notarieel gebruik normaal gesproken hebben. [21] De ratio van de voorgeschreven gang naar de notaris is immers te verzekeren dat de betrokken partijen een beter inzicht verkrijgen in wat zij willen en kunnen bereiken en dat nauwkeuriger en deskundiger wordt vastgelegd waartoe partijen zich jegens elkaar verbinden. Nu partijen niet zelden zullen varen op de deskundigheid van de notaris, mogen zij geacht worden zich jegens elkaar verbonden te hebben mede tot wat de notaris als deskundige inbrengt bij het inhoud geven aan de vermogensrechtelijke betrekking die uit het huwelijk voortvloeit. [22]
Koude uitsluiting’ van november 2010 [25] is ingegaan op de vraag naar problemen en onbillijkheden bij scheiding van ongehuwd samenlevende partners. Als mogelijk instrument voor de wetgever is genoemd de introductie van een wettelijke regeling betreffende partneralimentatie, met de mogelijkheid van een
opt-out. [26] De staatssecretaris zag hierin echter een te ver gaande inbreuk op de partijautonomie en heeft mede op deze grond besloten niet tot invoering van een wettelijke regeling van alimentatie voor samenwoners over te gaan. [27]
Alimentatie van nu’ aan de Tweede Kamer aangeboden. [28] Daarin is door de onderzoekers vastgesteld dat in weinig samenlevingscontracten een alimentatieplicht wordt opgenomen. [29] Zij concluderen dat er onder deskundigen grote verdeeldheid bestaat over goede gronden voor het introduceren van een wettelijke onderhoudsverplichting voor ongehuwd samenwonenden. Gelet op het toenemend aantal samenwoners, de gelijke aard van de relatie (lotsverbondenheid) en het feit dat ongehuwde samenlevers zich veelal niet bewust zijn van het ontbreken van een alimentatieplicht, bevelen de onderzoekers aan een alimentatieregeling voor ongehuwde samenlevers in de wet op te nemen. Deze zou volledig moeten aansluiten bij de alimentatieregeling voor gehuwden, met als toevoeging de mogelijkheid te allen tijde een
opt-outovereen te komen. [30]
bij de uitleg van een postrelationele regeling tussen ex-ongehuwd samenlevers als uitgangspunt heeft te gelden dat partijen de bedoeling hebben gehad om bij de bepalingen van art. 1:157 (oud) BW aan te sluiten.
Althans zou, naar het hof heeft miskend, dit uitgangspunt in ieder geval gelden indien sprake is geweest van één of meer van de omstandigheden als aan de orde in het onderhavige geval, te weten (1) een langdurige periode van samenleven, (2) tijdens de periode van samenleven zijn kinderen geboren (3) één van partijen heeft de zorgtaken op zich genomen, (4) in de samenlevingsovereenkomst is aangesloten bij de Trema-normen, (5) in de samenlevingsovereenkomst is opgenomen dat de alimentatieverplichting door de rechter kan worden gewijzigd, in welk geval het bepaalde in Titel 17 van Boek 1 BW van toepassing, en (6) de duur van de verplichting tot levensonderhoud is beperkt tot maximaal 12 jaar, waarmee eveneens is verwezen naar de wettelijke regeling.
Subonderdeel 1.2klaagt (
ten eerste [35] ) dat het hof, gegeven voormeld uitgangspunt, ten onrechte is voorbijgegaan aan de als essentieel aan te merken stellingen dat (i) de alimentatie in de samenlevingsovereenkomst is gemaximeerd tot twaalf jaar, overeenkomstig de wettelijke regeling, en (ii) in art. XI is bepaald dat de alimentatieverplichting door de rechter kan worden gewijzigd, in welk geval het bepaalde in Titel 17 van Boek 1 BW van toepassing is.
geheel of gedeeltelijk niet in staat is te voorzien in zijn levensonderhoud”. [36] Ik laat de juistheid van deze veronderstelling – en daarmee het belang van de klachten – in het midden. [37]
uitgangspunt te zijn dat partijen de bedoeling hebben gehad om aan te sluiten bij de bepalingen van art. 1:157 e.v. (oud) BW [38] en dat zich daarin ook de gemeenschappelijke subjectieve partijbedoeling van partijen laat vinden,
tenzijpartijen uitdrukkelijk anders zijn overeengekomen. Dit geldt temeer in bijzondere omstandigheden zoals die zich voordoen in het onderhavige geval. Indien het hof dit niet heeft miskend, heeft het, door niet kenbaar de in subonderdeel 1.2 genoemde omstandigheden in zijn beslissing te betrekken, zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, aldus de man (s.t., nrs. 1.3 en 2.14-2.15).
opt-out-mogelijkheid. De bepleite uitlegregel sluit daarbij aan. Bovendien bestaat tussen gehuwd en ongehuwd samenlevenden een zelfde mate van lotsverbondenheid, aldus de man (s.t., nrs. 2.1-2.11).
ten tweede, zo begrijp ik, dat het hof (ook) in het kader van diens wijze van toepassing van de Haviltex-maatstaf (‘uitgaande van de tekst’) ten onrechte voorbij is gegaan aan de als essentieel aan te merken stellingen van de man dat:
(i) art. XI de alimentatie maximeert tot 12 jaar, overeenkomstig de wettelijke regeling, en
(ii) art. XI bepaalt dat de alimentatieverplichting door de rechter kan worden gewijzigd, in welk geval het bepaalde in Titel 17 van Boek 1 BW van toepassing. [40] Daartoe wordt aangevoerd dat bij de uitleg van een overeenkomst alle omstandigheden dienen te worden betrokken. Indien het hof van mening is geweest dat dit niet voor voornoemde omstandigheden geldt, is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het hof wel is uitgegaan van een juiste rechtsopvatting dan heeft het, door deze omstandigheden niet kenbaar in zijn beslissing te betrekken, zijn arrest onvoldoende gemotiveerd, aldus het subonderdeel.
keuze van de man is die in beginsel voor zijn risicokomt (rov. 14, 3e volzin).
gezamenlijkin het verleden hebben gemaakt niet in staat is volledig in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. [41] De man wijst erop dat, naar hij heeft gesteld, (i) partijen gedurende zeer lange tijd met elkaar hebben samengewoond, en (ii) de man gedurende die samenwoning de zorgtaken voor de kinderen op zich heeft genomen. Ook wordt verwezen naar zijn stellingen (iii) dat hij reeds voor het beëindigen van de relatie is begonnen met het opstarten van een eigen onderneming, (iv) dat hij thans de taks van zijn verdiencapaciteit heeft bereikt, (v) en dat dit blijkt uit de omzet over 2019 en 2020.
gezamenlijkekeuze: niet alleen spreekt het hof in het kader van de uitleg van de overeenkomst (neutraal) van ‘een wijziging van de verhoudingen’ (rov. 13), maar ook wordt in de bestreden rov. 14 uitgegaan van een
in beginselvoor risico van de man komende eigen keuze. Deze overweging moet kennelijk worden gelezen in verband met de daarop volgende (“De man heeft in het geheel niet onderbouwd dat hij als gevolg van een medische noodzaak zijn werkzaamheden is gaan afbouwen.” De (al of niet gezamenlijke)
keuzevoor afbouw van de werkzaamheden wordt door het hof dus afgezet tegen een
medische noodzaakvoor zodanige afbouw, welke noodzaak naar het oordeel van het hof niet is komen vast te staan. Aldus is de bestreden kwalificatie (‘eigen’ versus ‘gezamenlijk’) niet dragend voor het bereikte eindoordeel.
de brief van de psycholoog van 6 mei 2020 [43] wordt in dit verband aangevoerd dat daarin wordt aangegeven dat de man op dat moment onder behandeling is, dat er sprake is van een grote afstand tot de arbeidsmarkt, en dat de spanning rond het einde van de relatie niet bevorderend is op de mogelijkheden om zijn werkzaamheden uit te breiden.
Met betrekking tot
de brief van de haptonoom van 16 februari 2020 [44] wordt gewezen op de daarin uitgesproken verwachting dat de aanstaande gedwongen verhuizing van de man een flinke terugslag zal hebben op zijn productiviteit en dus ook zijn verdiencapaciteit.
Volgens het subonderdeel laat zich uit die brieven afleiden dat de man nu (lees: ten tijde van de uitspraak van het hof) ten minste
gedeeltelijkniet kan werken c.q. een beperkte verdiencapaciteit heeft. In dit verband verwijst het subonderdeel tevens naar de stellingen van de man over een reeds voor het beëindigen van de relatie gestarte eigen onderneming en de daarin gegenereerde inkomsten. [45]
gedeeltelijkniet in staat is om in zijn levensonderhoud te voorzien verworpen op de grond dat, uitgaande van een uit de brieven van de behandelaars gebleken beperkte verdiencapaciteit, niet (arbeidsdeskundig) is onderbouwd om welke beperking het gaat en welke gevolgen die beperking heeft voor de werkzaamheden die de man reeds verricht en die hij nog zou kunnen verrichten (vonnis, rov. 4.10). Dit oordeel is in hoger beroep niet bestreden, [46] zodat het hof de rechtbank kon volgen in haar oordeel dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat hij gedeeltelijk niet in staat is om in zijn levensonderhoud te voorzien. Voorts volgt uit de enkele stellingen van de man over de gegenereerde inkomsten uit onderneming niet dat hij niet meer zou kunnen verdienen.
gedeeltelijkin staat is in zijn levensonderhoud te voorzien. Het klaagt dat in dat geval onbegrijpelijk is dat het hof niet enige verplichting tot levensonderhoud heeft opgelegd.
niet (gedeeltelijk) in staat” is om in zijn levensonderhoud te voorzien). De klacht berust dus op een verkeerde lezing van het arrest en faalt.