Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Juridisch kader
3.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
4.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
5.Beslissing
4 juli 2023.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor rijden onder invloed van cannabis op grond van artikel 8 lid 5 WVW Pro 1994.
Het geschil betrof de vraag of het bloedonderzoek als 'onderzoek' in de zin van de Wegenverkeerswet kon worden aangemerkt, waarbij strikte waarborgen gelden voor de bewaring en het tijdig transport van bloedmonsters naar laboratoria. Het hof had geoordeeld dat ondanks een periode van elf dagen tussen bloedafname en ontvangst door een Duits laboratorium, was voldaan aan het voorschrift dat bloedmonsters 'zo spoedig mogelijk' worden bezorgd, zonder concrete vaststellingen over de wijze van bewaring en transport.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat aan deze strikte waarborg was voldaan, waardoor het oordeel over het bestaan van een onderzoek niet stand kon houden. Voor het tweede bloedonderzoek, waarbij het bloed zes dagen na afname bij het NFI werd ontvangen, vond de Hoge Raad het oordeel van het hof dat aan de waarborg was voldaan wel toereikend gemotiveerd.
De Hoge Raad vernietigde het arrest voor zover het de zaak met de langere bewaartermijn betrof en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde beoordeling wegens onvoldoende motivering over de bewaartermijn van bloedmonsters.