Conclusie
III. Het juridisch kader
Art. 8, vijfde lid, Wegenverkeerswet 1994:
Art. 14, tweede lid, BADG, waarvan de tekst ten tijde van het tenlastegelegde feit als volgt
Art. 7, eerste lid, Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer(verder: RADG), [1] zoals dat luidde ten tijde van het tenlastegelegde:
Bijlage 1 bij de RADG, zoals deze Bijlage luidde ten tijde van het tenlastegelegde, houdt onder meer in:
NJ1991/42 was op 22 december 1986 door de arts bloed afgenomen van de verdachte, en was het bloedmonster vervolgens op 29 december verzonden en op 30 december door het gerechtelijk laboratorium ontvangen. Het hof zag geen aanleiding om over te gaan tot vrijspraak omdat niet aannemelijk was dat de politie het bloedmonster pas na de kerstdagen had verzonden. Het overwoog dat het gelet op de toen naderende kerstdagen veeleer aannemelijk was dat gezien het grote aanbod van poststukken in die dagen, vertraging in de postbezorging was opgetreden. Naar het oordeel van de Hoge Raad had het hof het desbetreffende verweer verworpen op gronden die deze verwerping konden dragen, terwijl deze gronden niet onbegrijpelijk waren en als van feitelijke aard in cassatie niet verder konden worden getoetst. Daarbij had de Hoge Raad in aanmerking genomen dat een van de bewijsmiddelen het ambtsedig proces-verbaal van verbalisanten betrof, dat inhield dat de eerste verbalisant zich ervan had vergewist dat het bloedmonster overeenkomstig het bepaalde in art. 6 van Pro de bedoelde Beschikking was verzonden naar het gerechtelijk laboratorium. In HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1853 heeft het hof vastgesteld dat de bloedmonsters op 27 juni 2018 bij de verdachte zijn afgenomen en dat het NFI de bloedmonsters – zes dagen na de bloedafname – op 3 juli 2018 heeft ontvangen. De Hoge Raad overweegt expliciet dat het daarop gebaseerde oordeel van het hof dat de bloedmonsters ‘zo spoedig mogelijk’ zijn bezorgd bij een laboratorium als bedoeld in art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, (oud) BADG niet onbegrijpelijk is. [9] Daaraan deed niet af dat het hof niet had vastgesteld op welke dag de politie de bloedmonsters had verzonden naar het NFI. In HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6206,
NJ2012/350 ging het om een zaak waarin het hof kennelijk had geoordeeld dat het afgenomen bloedmonster dat "pas 11 dagen na bloedafname door het NFI werd ontvangen" zonder uitstel was toegezonden aan het laboratorium dat met het onderzoek daarvan was belast. Dat oordeel vond de Hoge Raad zonder nadere motivering, die ontbrak, niet begrijpelijk.
concretevaststellingen over de wijze waarop het bloed is bewaard na de afname daarvan en tijdens het transport naar het laboratorium. [10] Na verwijzing naar het hierboven aangehaalde rechtskader overweegt de Hoge Raad:
Het eerste middel en de bespreking daarvan (betreffende de zaak met parketnummer 96/196128-19)
algemeneinformatie over de werkwijze van de politie uit de brief van het NFI van 26 maart 2021 aangenomen dat deze werkwijze feitelijk ook is toegepast in de onderhavige zaak, zonder daarbij vast te stellen of het bloed van de verdachte in deze zaak ook
daadwerkelijkis bewaard en vervoerd overeenkomstig deze werkwijze. De mededeling in het als eerste bewijsmiddel gebruikte proces-verbaal van de verbalisanten, waarin vermeld wordt dat verbalisant [verbalisant 1] zich ervan heeft vergewist dat de bloedmonsters overeenkomstig het bepaalde in het BADG verzonden zijn naar het MVZ Dr. Stein te Mönchengladbach, maakt dat niet anders.
concretevaststellingen gedaan.
Het tweede middel en de bespreking daarvan(betreffende de zaak met parketnummer 96/086714-19)
zo spoedig mogelijkdoor de opsporingsambtenaar was verzonden beslissend geoordeeld dat (i) het NFI een geaccrediteerd laboratorium in de vermelde zin is, (ii) in het BADG niet de strekking te lezen valt dat een bloedmonster tevens onverwijld onderzocht dient te worden en (iii) de uitbesteding van het onderzoek van het bloedmonster door het NFI evenmin in strijd is met enig in het BADG opgenomen voorschrift. De Hoge Raad laat het oordeel van het hof dat sprake is van ‘zo spoedig mogelijke’ verzending van de bloedmonsters aan een gecrediteerd laboratorium, te weten het NFI, in stand. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat de Hoge Raad het standpunt van het hof aangaande (i), (ii) en (iii) deelt en mitsdien het NFI ook in zo een geval – waarin het NFI niet zelf het onderzoek doet, maar dat onderzoek uit handen geeft – (niettemin) aanmerkt als een ‘laboratorium dat met het onderzoek daarvan is belast’. Dat neemt niet weg dat de Hoge Raad daaraan toevoegt dat het oordeel van het hof mede inhoudt dat “ook anderszins geen sprake is van schending van enige in het Besluit opgenomen waarborg”. Gezien de daaraan voorafgaande volzin onder 2.4.2 kan het mijns inziens niet anders dan dat de Hoge Raad daarmee het oog heeft op de vaststellingen van het hof dat de bloedmonsters door het NFI tot aan het moment van overdracht op 29 juni 2018 aan een koerier zijn bewaard in een vriezer bij -20 °C en dat de bloedmonsters op 29 juni 2018 op droogijs zijn vervoerd naar een laboratorium in Mönchengladbach (Duitsland) voor het daadwerkelijk uitvoeren van het bloedonderzoek.