ECLI:NL:HR:2023:1044

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2023
Publicatiedatum
6 juli 2023
Zaaknummer
23/00289
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 44 WzdArt. 55 WzdArt. 56c WzdArt. 4a lid 1 Wzd
Verwijzingen
13 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid cassatie in schadevergoeding bij onvrijwillige zorg

Betrokkene woonde vrijwillig in een beschermde woonvorm voor mensen met verslavings- en psychische problemen. Na een conflict met een buurman kreeg betrokkene een gedeeltelijk terreinverbod opgelegd. Betrokkene diende een klacht in bij de klachtencommissie onvrijwillige zorg en verzocht om schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatigheden in de zorgverlening.

De klachtencommissie verklaarde de klacht ongegrond en wees schadevergoeding af, ondanks enkele formele tekortkomingen. Betrokkene wendde zich vervolgens tot de rechtbank, die eveneens de klacht ongegrond verklaarde en het verzoek tot schadevergoeding afwees.

In cassatie richtte betrokkene zich tegen deze beslissingen. De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep niet ontvankelijk was voor zover het betrekking had op de afwijzing van de schadevergoeding, omdat hoger beroep openstond en cassatie niet de juiste weg was. Voor het overige werd het beroep verworpen. De Hoge Raad benadrukte dat het niet nodig was om inhoudelijk op de klacht over het terreinverbod in te gaan, omdat dit niet van belang was voor de rechtsontwikkeling.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart betrokkene niet-ontvankelijk in cassatie voor het schadevergoedingsverzoek en verwerpt het beroep voor het overige.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer23/00289
Datum7 juli 2023
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: C. Reijntjes-Wendenburg,
tegen
STICHTING LEGER DES HEILS WELSZIJNS- EN GEZONDHEIDSZORG,
gevestigd te Almere,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de zorgaanbieder,
advocaat: M.E. Bruning.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/16/545574 / FV RK 22-2228 van de rechtbank Midden-Nederland van 21 november 2022.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De zorgaanbieder heeft een verweerschrift tot referte ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep voor zover dit betrekking heeft op de beslissing van de rechtbank over de verzochte schadevergoeding. Voor het overige strekt de conclusie tot verwerping van het beroep.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
Betrokkene woont op vrijwillige basis in een zogenoemde ‘cabin’ van de zorgaanbieder op een locatie waar een 24-uurs beschermde woonvorm wordt geboden voor mensen die kampen met een alcohol- en/of (soft)drugsverslaving, vaak in combinatie met psychische problemen. In verband met een oplopend conflict met een buurman is betrokkene bij wijze van ‘time-out’ overgebracht naar een andere locatie. Na terugkomst is betrokkene meegedeeld dat hij zich niet in de buurt van de woning van de buurman mocht begeven (hierna: het gedeeltelijke terreinverbod).
2.2
Betrokkene heeft op de voet van art. 55 Wzd Pro een klacht ingediend bij de Klachtencommissie Onvrijwillige Zorg (hierna: de klachtencommissie) en om schadevergoeding verzocht, op de grond dat de hiervoor in 2.1 vermelde maatregelen onvrijwillige zorg opleveren als bedoeld in de art. 2 lid Pro 1, onder b, en 10 Wzd en niet is voldaan aan de daarvoor geldende eisen.
2.3
De klachtencommissie heeft de klacht ongegrond verklaard en geen aanleiding gezien voor het toekennen van schadevergoeding. De klachtencommissie heeft vastgesteld dat weliswaar niet aan alle formaliteiten was voldaan voor het verlenen van onvrijwillige zorg, maar heeft deze, vooral formele/administratieve, tekortkomingen onvoldoende zwaarwegend geoordeeld.
2.4
Betrokkene heeft op de voet van art. 56c Wzd een verzoekschrift bij de rechtbank ingediend ter verkrijging van een beslissing over de klacht en daarbij onder verwijzing naar art. 44 Wzd Pro verzocht om schadevergoeding door de zorgaanbieder. De rechtbank heeft de klacht ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.

3.Beoordeling van het middel

3.1
Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen de ongegrondverklaring van de klacht over het gedeeltelijke terreinverbod. Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).
3.2
De onderdelen 2 en 3 zijn gericht tegen de afwijzing van het verzoek tot schadevergoeding. De rechtbank heeft dit verzoek aangemerkt als een verzoek op grond van art. 44 Wzd Pro. Noch in deze bepaling, noch elders in de Wet zorg en dwang wordt hoger beroep tegen een beslissing op de voet van deze bepaling uitgesloten. Nu de regels inzake de verzoekschriftprocedure uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op een procedure ingevolge de Wet zorg en dwang aanvullend van toepassing zijn (zie art. 4a lid 1 Wzd), stond op grond van art. 358 lid 1 Rv Pro hoger beroep open tegen de beslissing van de rechtbank op het verzoek tot schadevergoeding. Ingevolge art. 78 lid 6 RO Pro is betrokkene daarom in zoverre niet ontvankelijk in zijn cassatieberoep. Op grond van art. 358 lid 2 Rv Pro in verbinding met art. 340 Rv Pro kan betrokkene alsnog hoger beroep instellen tegen de bestreden beschikking voor zover daarin op het verzoek tot schadevergoeding is beslist. [1]

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart betrokkene niet-ontvankelijk in zijn beroep voor zover dit ziet op de afwijzing van het verzoek tot schadevergoeding;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.E. du Perron, C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op
7 juli 2023.

Voetnoten

1.Vgl. voor art. 10:12 Wvggz Pro onder meer HR 20 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1806, rov. 3.2.2.