ECLI:NL:HR:2023:1101

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 augustus 2023
Publicatiedatum
17 augustus 2023
Zaaknummer
21/02309
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6, lid 1, EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vermindert boetes wegens overschrijding redelijke termijn in belastingzaak

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch over belastingaanslagen en boetebeschikkingen voor de jaren 2009 tot en met 2013. De Hoge Raad beoordeelde de klachten en oordeelde dat deze niet tot vernietiging van de uitspraak konden leiden, zonder nadere motivering.

De cassatieprocedure kende een overschrijding van de redelijke termijn van minder dan zes maanden. Voor de boetebeschikkingen die hoger waren dan €1.000, besloot de Hoge Raad deze boetes met 5% te verminderen vanwege de termijnoverschrijding. Voor boetes onder €1.000 werd geen vermindering toegepast, aangezien cassatie niet tot verhoging kan leiden en de schending van artikel 6 EVRM Pro als voldoende gecompenseerd werd beschouwd.

De Hoge Raad wees geen vergoeding voor immateriële schade toe omdat belanghebbende hier niet om had verzocht. Ook werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Het arrest werd uitgesproken door raadsheren Feteris, Fierstra en Van Eijsden op 18 augustus 2023.

Uitkomst: Het cassatieberoep is ongegrond verklaard en de boetes boven €1.000 zijn met 5% verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/02309
Datum18 augustus 2023
ARREST
in de zaak van
[X], domicilie gekozen hebbende te [Z], (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 22 april 2021, nrs. 19/00463 tot en met 19/00490 [1] , op het hoger beroep van zowel belanghebbende als de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 17/3199, BRE 17/3200, BRE 17/3202 tot en met BRE 17/3205, BRE 17/3207 tot en met BRE 17/3209, BRE 17/3211 en BRE 18/1986 tot en met BRE 18/1989) betreffende aan belanghebbende over de jaren 2009 en 2010 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, de aan belanghebbende voor de jaren 2011, 2012 en 2013 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting over de periode 1 januari 2009 tot en met 31 december 2013, de bij die belastingaanslagen gegeven boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente respectievelijk belastingrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door S. Önemli, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure

3.1
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 28 mei 2021. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met minder dan zes maanden.
3.2
Wat betreft de opgelegde aanslagen, navorderingsaanslagen en naheffingsaanslagen, en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente en belastingrente leidt dit niet tot toekenning van een vergoeding voor immateriële schade, omdat belanghebbende daar niet om heeft verzocht.
3.3
Wat betreft de boetebeschikkingen die de Inspecteur heeft gegeven bij de aan belanghebbende over de jaren 2009 en 2010 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de voor de jaren 2011 en 2013 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de voor het jaar 2013 opgelegde aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en de opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting over de periode 1 januari 2009 tot en met 31 december 2013, geldt het volgende. Deze boetes, zoals nader vastgesteld door het Hof, belopen elk meer dan € 1.000. De Hoge Raad ziet om die reden aanleiding om aan de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase gevolgen te verbinden en zal de boetes, zoals nader vastgesteld door het Hof, verminderen met 5 procent. [2]
3.4
Wat betreft de boetebeschikkingen die de Inspecteur heeft gegeven bij de aan belanghebbende over de jaren 2009 en 2010 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en de voor de jaren 2011 en 2012 opgelegde aanslagen in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, ziet de Hoge Raad geen aanleiding om aan de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase gevolgen te verbinden. Omdat deze boetes, zoals nader vastgesteld door het Hof, elk minder belopen dan € 1.000, en deze cassatieprocedure niet kan leiden tot een verhoging van die boetes, is met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, lid 1, EVRM, de verdragsschending voldoende gecompenseerd. [3]

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de hoogte van de hiervoor in 3.3 bedoelde boetes, en
- vermindert de hiervoor in 3.3 bedoelde boetes, zoals nader vastgesteld door het Hof, elk met 5 procent.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2023.

Voetnoten

2.Vgl. HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, rechtsoverweging 4.2.3.
3.Vgl. HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, rechtsoverweging 4.2.3.