ECLI:NL:HR:2023:1222

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 september 2023
Publicatiedatum
14 september 2023
Zaaknummer
22/01404
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 2 lid 1 letter a Besluit proceskosten bestuursrechtWet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak over proceskostenverdeling in belastingzaken wegens discriminatieverbod

Belanghebbende, een B.V., stelde beroep in cassatie in tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland die het verzet tegen eerdere uitspraken ongegrond verklaarde en proceskosten vaststelde op basis van een gedifferentieerde waarde per punt. De Rechtbank had voor de berekening van de proceskosten de waarde per punt uit onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht toegepast, waarbij sinds 1 juli 2021 een onderscheid werd gemaakt voor belastingzaken.

Het middel in cassatie betoogde dat deze differentiatie in strijd is met het discriminatieverbod en dat de hogere waarde per punt uit punt 2 van onderdeel B1 had moeten gelden. De Hoge Raad sluit zich aan bij eerdere rechtspraak (HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752) en oordeelt dat het onderscheid niet gerechtvaardigd is, waardoor het middel slaagt.

De Hoge Raad vernietigt daarom het deel van de uitspraak dat de proceskosten voor het verzet betreft en veroordeelt de Staat in de proceskosten van belanghebbende, waarbij de waarde per punt wordt berekend conform de actuele regeling van januari 2023 (€ 837 per punt). Tevens wordt de Staat veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding en het geding bij de Rechtbank.

De overige klachten tegen de uitspraak van de Rechtbank worden ongegrond verklaard zonder nadere motivering, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Dit arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2023.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het deel van de uitspraak over proceskosten en veroordeelt de Staat tot vergoeding van proceskosten conform de actuele waarde per punt.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/01404
Datum15 september 2023
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 9 maart 2022, nrs. AWB 20/2384, AWB 20/2389, AWB 20/2972, AWB 20/2975 en AWB 20/2976, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank van 22 september 2020 en een uitspraak van de Rechtbank van 29 oktober 2020. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1
De Rechtbank heeft het door belanghebbende gedane verzet bij uitspraak van 9 maart 2022 ongegrond verklaard en haar op verzoek een vergoeding van immateriële schade toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de beroepen. Vanwege deze beslissing heeft de Rechtbank de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op de voet van artikel 8:75 Awb Pro veroordeeld in de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand die belanghebbende heeft gemaakt voor de behandeling van de beroepen.
2.2
De Rechtbank heeft de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het verzet op de voet van artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) vastgesteld overeenkomstig de bij het Besluit behorende bijlage. De Rechtbank is uitgegaan van de in punt 1 van onderdeel B1 van de bijlage opgenomen waarde per punt zoals die met ingang van 1 juli 2021 geldt voor procedures die besluiten betreffen die zijn genomen op grond van hoofdstuk III van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorijwielen 1992.
2.3.1
Middel III richt zich tegen het hiervoor in 2.2 weergegeven oordeel van de Rechtbank met het betoog dat er geen rechtvaardiging bestaat voor het in onderdeel B1 van die bijlage gemaakte verschil in behandeling en dat het discriminatieverbod meebrengt dat de in punt 2 van dat onderdeel B1 vermelde waarde per punt wordt toegepast.
2.3.2
Het middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 5.2 tot en met 5.8 van het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752.
2.4
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.5.1
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.2 is overwogen, kan de uitspraak van de Rechtbank op het verzet niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
2.5.2
De Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) zal worden veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende voor het verzet, bestaande uit kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De Hoge Raad gaat daarbij uit van het door de Rechtbank vastgestelde aantal punten per proceshandeling, wegingsfactor 0,5 vanwege het gewicht van de zaak, factor 1,5 wegens meer dan vier samenhangende zaken, en de door de Rechtbank gemaakte verdeling van de aldus berekende proceskostenvergoeding over belanghebbende en twee andere belanghebbenden voor wie de gemachtigde van belanghebbende in totaal zes beroepen heeft ingesteld en daarbij namens alle drie belanghebbenden inhoudelijk gelijke proceshandelingen heeft verricht. Gelet op artikel IV van de Ministeriële regeling van 12 december 2022 [1] en de op die regeling gegeven toelichting moeten die proceskosten worden berekend naar de waarde per punt zoals deze ten tijde van het wijzen van dit arrest geldt, dat wil zeggen naar een waarde per punt van € 837. [2]

3.Proceskosten

De Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand gaat de Hoge Raad uit van de waarde per punt die is neergelegd in punt 2 van onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit (tekst vanaf 1 januari 2023). [3]

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank op het verzet, maar uitsluitend voor zover deze betreft de beslissing over de proceskosten voor het verzet,
- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 548,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.348 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op € 209,34 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2023.

Voetnoten

1.Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 12 december 2022, nr. 4343031, tot indexering van bedragen in de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht, Stcrt. 2022, 34448.
2.Vgl. HR 18 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1657, rechtsoverweging 2.7.3.
3.Vgl. HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752, rechtsoverwegingen 5.2 tot en met 5.8.