Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
7 februari 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een belastingadviseur die meermalen valselijke aangiften inkomstenbelasting heeft opgemaakt door onterechte en te hoge aftrekposten te vermelden. De rechtbank veroordeelde hem en legde een ontnemingsvordering op van €69.300, gebaseerd op de inkomsten uit deze strafbare feiten.
Het gerechtshof kwam echter tot een ander oordeel en wees de ontnemingsvordering af. Het hof stelde vast dat de belastingadviseur een vaste vergoeding van gemiddeld €60 per aangifte rekende, ongeacht of de aangifte juist of onjuist was. Er was geen bewijs dat hij zijn handelwijze gebruikte om meer klanten te trekken en zo meer inkomsten te genereren. Hierdoor was geen sprake van wederrechtelijk verkregen voordeel uit de strafbare feiten.
Het openbaar ministerie stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel. De Hoge Raad oordeelt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd over het begrip wederrechtelijk verkregen voordeel zoals bedoeld in art. 36e Sr. Het cassatiemiddel faalt en het beroep wordt verworpen. De ontnemingsvordering blijft daarmee afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de ontnemingsvordering wegens wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen.