ECLI:NL:HR:2023:1237

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 september 2023
Publicatiedatum
14 september 2023
Zaaknummer
21/02167
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake naheffingsaanslagen omzetbelasting fiscale eenheid

Belanghebbende, een fiscale eenheid, was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over naheffingsaanslagen omzetbelasting en de daarbij behorende beschikkingen inzake heffings- en belastingrente over de kalenderjaren 2011, 2013, 2014 en 2015.

Na eerdere uitspraken van de Rechtbank Den Haag en het Gerechtshof Den Haag, waarin de aanslagen en rentebeschikkingen werden bevestigd, stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal concludeerde tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep.

De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld, maar vond dat deze niet konden leiden tot vernietiging van het hofarrest. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, was het niet nodig om de motivering nader toe te lichten. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Het arrest van de Hoge Raad bevestigt daarmee de eerdere uitspraken en maakt een einde aan het geschil over de opgelegde naheffingsaanslagen en de daarbij behorende rente.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de fiscale eenheid wordt ongegrond verklaard en het hofarrest bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/02167
Datum15 september 2023
ARREST
in de zaak van
de fiscale eenheid [X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 15 april 2021, nrs. BK-20/00678 tot en met BK-20/00681 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 19/5863 tot en met SGR 19/5866) betreffende aan belanghebbende over de kalenderjaren 2011, 2013, 2014 en 2015 opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente respectievelijk belastingrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.J. de Ruiter, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 3 januari 2022 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2]
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, de vice-president J.A.R. van Eijsden, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2023.

Voetnoten

2.ECLI:NL:PHR:2022:8, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2022:9.