ECLI:NL:HR:2023:127
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling box 3-heffing na massaalbezwaarprocedure en rechtsherstel
Belanghebbende is aangeslagen voor de inkomstenbelasting over de jaren 2015 tot en met 2018, waarbij belasting is geheven over het inkomen uit sparen en beleggen (box 3). Tegen deze aanslagen zijn bezwaren ingediend die deels onder een massaalbezwaarprocedure vielen. Na afwijzing van de bezwaren door de inspecteur en de rechtbank, heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Amsterdam, dat de eerdere uitspraken bevestigde.
De kern van het geschil betreft de vraag of de box 3-heffing voor de jaren 2015 tot en met 2018 leidt tot een individuele buitensporige last voor belanghebbende en of rechtsherstel op grond van het arrest van 24 december 2021 had moeten worden verleend. De Hoge Raad overweegt dat de bezwaren over 2015 en 2016 falen op basis van het arrest van 20 mei 2022 en dat voor 2017 en 2018 het Hof terecht heeft geoordeeld dat geen individuele buitensporige last bestaat, mede gelet op het bezit van een hypotheekvrije eigen woning en andere vermogensbestanddelen.
Voorts verduidelijkt de Hoge Raad de toepassing van de massaalbezwaarprocedure en de rol van individuele verminderingsbeslissingen. De rechter kan de gevolgen van de collectieve uitspraak betrekken bij de beoordeling van individuele bezwaren, maar is niet verplicht te wachten op individuele verminderingsbeslissingen. Het Hof heeft dit correct toegepast en het oordeel is niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de box 3-heffing over 2015-2018 blijft in stand.