Conclusie
1.Inleiding
stelselniveauin strijd is met artikel 1 EP Pro [3] of artikel 14 EVRM Pro. Voor zover deze bezwaren die vraag betreffen voor de jaren 2017 en 2018, zijn zij aangemerkt als massaal bezwaar volgens artikel 25c AWR [4] . [5]
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
12 x 1.371,62
12 x 1.389,57
12 x 1.403,98
12 x 1.417,32
BNB2018/137 [12] , HR
BNB2020/140 [13] en HR
BNB2021/149 [14] , oordeelt het Hof dat bij de beoordeling van de aanwezigheid van een individuele en buitensporige last de gevolgen van de vermogensrendementsheffing moeten worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van belanghebbende. Bij de financiële gegevens uit de in onderdeel 2.6 opgenomen tabel gaat het Hof – anders dan belanghebbende heeft gesteld – ter zake van de daadwerkelijk ontvangen rente uit van de bedragen in de jaren waarin deze volgens de bank zijn bijgeschreven. Eerst door middel van die bijschrijving heeft belanghebbende volgens het Hof feitelijk de beschikking over de rentebedragen gekregen, ook al hebben die bedragen betrekking op het voorafgaande jaar. Het Hof is het met de Rechtbank eens dat het hiermee verband houdende timingverschil niet van beslissende invloed is op de vraag of zich ten aanzien van belanghebbende een individuele en buitensporige last voordoet.
BNB2021/149 dat belanghebbende moet interen op zijn vermogen. Het Hof is daarbij voor het uitgavepatroon van belanghebbende uitgegaan van de bijstandsnorm. Deze bedraagt in 2016 voor gehuwden onder de pensioengerechtigde leeftijd € 16.675, terwijl het netto gezamenlijk inkomen van € 16.516 bedraagt in het jaar 2016. Aan deze overschrijding van € 159 draagt de vermogensrendementsheffing in 2016 volgens het Hof voor € 7.159 bij.
BNB2022/27. Indien in de onderhavige zaak en gelet op het arrest HR
BNB2022/27 ter zake van de bank- en spaartegoeden wordt uitgegaan van de in de jaren 2017 en 2018 daadwerkelijk ontvangen rente van respectievelijk € 2.177 en € 572, dan leidt dit naar het oordeel van het Hof ter zake van die bank- en spaartegoeden niet tot een heffing die hoger is dan het behaalde rendement, zodat voor belanghebbende ook op deze grond geen sprake kan zijn van een individuele en buitensporige last. Van een interen is dan geen sprake volgens het Hof, vanwege de dienovereenkomstig lagere vermogensrendementsheffing. Dit oordeel wordt volgens het Hof niet anders indien veronderstellenderwijs in aanmerking wordt genomen dat de toename van de waarde van de aandelen en opties als vermeld in de tabel voor het jaar 2018 ten opzichte van het jaar 2017 een waardestijging van die vermogensbestanddelen inhoudt die tot het werkelijke rendement zou zijn te rekenen. Indien die waardestijging tot het werkelijke rendement zou moeten worden gerekend, dan leidt dit naar het oordeel van het Hof voor belanghebbende evenmin tot een individuele en buitensporige last, omdat de waardestijging weliswaar het besteedbaar inkomen verhoogt, maar niet de vermogensrendementsheffing.
3.Het geding in cassatie
4.Strijdigheid van de vermogensrendementsheffing (Box 3)
De jaren 2015 en 2016
BNB2021/141 [17] overwoog de Hoge Raad dat de feitenrechter bij de beoordeling van de individuele uitspraak op bezwaar niet een oordeel mag geven over de aangewezen rechtsvraag waarop het massaal bezwaar ziet. Dit brengt mee dat belastingplichtigen die zowel bezwaren hebben die onder de massaalbezwaarprocedure vallen, als bezwaren met betrekking tot de individuele en buitensporige last van de vermogensrendementsheffing, voor deze samenhangende geschilpunten twee separate procedures moeten doorlopen.
BNB2021/141 gegeven rechtsregel (zie onderdeel 4.4) te nuanceren.
Vermogen(…) 3 in staat zijn, de mogelijkheid hebben tot –