Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
22 september 2023.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de driedagentermijn van artikel 7:8 lid 3 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) wordt verlengd door toepassing van artikel 2 van Pro de Algemene termijnenwet (Atw). Betrokkene was op 20 april 2023 onderworpen aan een crisismaatregel. Op 21 april 2023 diende de officier van justitie een verzoek in tot machtiging tot voortzetting van deze maatregel. De mondelinge behandeling vond plaats op 25 april 2023.
Betrokkene voerde aan dat de beslistermijn van drie dagen was overschreden en dat de maatregel daarom niet langer mocht worden voortgezet. De rechtbank oordeelde echter dat de Atw van toepassing was, waardoor de termijn werd verlengd omdat de termijn eindigde op een vrijdag en de daaropvolgende dagen een weekend betroffen.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en wees erop dat de wetgever met artikel 7:8 lid 3 Wvggz Pro niet heeft willen afwijken van de eerdere regeling in de Krankzinnigenwet en Wet Bopz, waarop de Atw ook van toepassing was. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de Atw ook op deze driedagentermijn van toepassing is.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de Algemene termijnenwet van toepassing is op de driedagentermijn van artikel 7:8 lid 3 Wvggz.