Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
26 september 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een persoon van Turkse nationaliteit aan Turkije ter uitvoering van een levenslange gevangenisstraf voor moord. De verdediging voerde aan dat de Turkse veroordeling in strijd was met het specialiteitsbeginsel en dat dit een voltooide flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro opleverde. De verdediging stelde dat Turkije zonder toestemming van Nederland tot vervolging is overgegaan, wat strijdig zou zijn met het Europees Uitleveringsverdrag.
De rechtbank Limburg oordeelde dat de verdediging het specialiteitsbeginsel in Turkije had kunnen aanvoeren en dat er geen voltooide flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro was vastgesteld. De rechtbank stelde dat het niet aan de Nederlandse rechter was om te beoordelen of het specialiteitsbeginsel in Turkije was nageleefd, tenzij sprake was van flagrante schending van fundamentele rechten.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat de uitleveringsrechter moet uitgaan van de juistheid van de veroordeling in de verzoekende staat, tenzij een flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro is vastgesteld. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de uitlevering aan Turkije werd bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Turkije.