Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
3 oktober 2023.
Hoge Raad
De veroordeelde stelde beroep in cassatie in tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Nederland betreffende zijn verzet tegen een dwangbevel op grond van artikel 6:4:5 lid 3 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Volgens deze bepaling is een cassatieberoep alleen ontvankelijk indien vooraf het nog verschuldigde bedrag en de kosten zijn betaald (consignatie). De griffie van de rechtbank Noord-Nederland had de veroordeelde via een mededeling op de beschikking van 14 maart 2022 in de gelegenheid gesteld om binnen veertien dagen na het instellen van cassatie het verschuldigde bedrag bij het CJIB te consigneren. Uit een brief van het CJIB van 9 augustus 2022 aan de Hoge Raad bleek echter dat geen betaling was ontvangen binnen de gestelde termijn.
De advocaat-generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. De Hoge Raad volgde dit advies en oordeelde dat de veroordeelde niet aan de consignatieverplichting had voldaan, waardoor het cassatieberoep niet-ontvankelijk is. De beschikking werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier tijdens een openbare zitting op 3 oktober 2023.
Deze uitspraak benadrukt het belang van het voldoen aan de consignatieplicht bij cassatieberoepen tegen dwangbevelen en bevestigt dat niet-naleving leidt tot niet-ontvankelijkheid, waardoor de inhoudelijke behandeling van het beroep niet plaatsvindt.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet voldoen aan de consignatieplicht.