Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
6 oktober 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft bestuurdersaansprakelijkheid voor het tekort in het faillissement van Maastrichtse Autobus Combinatie B.V., gebaseerd op schending van de boekhoud- en deponeringsplicht volgens art. 2:248 BW Pro. De curator stelde de bestuurders aansprakelijk en voerde een proceskostenbegroting in eerste aanleg op.
De rechtbank Limburg en het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelden de zaak, waarbij het hof een hoger bedrag voor de post “salaris advocaat voor de eerste aanleg” vaststelde dan de rechtbank. De curator stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof van 28 juni 2022.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof een misslag had begaan bij de begroting van de proceskosten voor de eerste aanleg, door het bedrag op € 6.365,83 vast te stellen in plaats van het juiste bedrag van € 4.982,-- zoals vastgesteld door de rechtbank. Omdat de verweerders deze misslag niet hadden uitgelokt of verdedigd, besloot de Hoge Raad zelf de zaak af te doen, het bedrag te corrigeren en de kosten van het cassatiegeding te compenseren.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor de proceskostenpost en stelt deze zelf vast op € 4.982,-- met compensatie van de kosten van het cassatiegeding.