Conclusie
(hierna: de
curator)
[verweerder 1],
[verweerster 2]en gezamenlijk, in mannelijk enkelvoud:
[verweerder])
1.De feiten
arrest). [1]
MAC) is bij vonnis van de rechtbank Maastricht van 20 september 2006 in staat van faillissement verklaard met aanstelling van mr. J.M. Wolfs tot curator in MAC’s faillissement. De bedrijfsactiviteiten van MAC bestaan uit taxi- en rouwvervoer en andere vervoersbemiddelingsactiviteiten. [verweerster 2] is aandeelhouder van MAC, [verweerder 1] is bestuurder van MAC.
[betrokkene 1]), in opdracht van de curator, vijftien vragen gesteld aan [verweerder 1] over de financiële administratie van MAC (boekjaar 2002 t/m 2006). [verweerder 1] heeft die vragen schriftelijk beantwoord. Bij brief van 15 juni 2007 heeft [betrokkene 1] aanvullende vragen gesteld aan [verweerder 1] . Ook werd verzocht om de rittenstaten vanaf mei 2004. [verweerder 1] heeft schriftelijk geantwoord.
Op 3 december dien ik de bevindingen op basis van de ontvangen bescheiden te rapporteren.
Verder uitstel is onder geen enkel beding meer mogelijk.
Sluitende kasadministratie
Dit overzicht correspondeert uiteraard met grootboek 1700 uit de financiële administratie.
De kasbetalingen door Coachtracs namens MAC aan de werknemers van MAC BV zijn verdicht geboekt in de financiële administratie op 1 oktober 2005.
Dit bedrag werd in zijn geheel aangewend om crediteuren en werknemers van MAC te betalen.
Dit saldo is overigens in R/C MAC/Coachtracs in een keer tegen geboekt in de kas van MAC op 4 april 2005.
Daarnaast heeft Coachtracs uit eigen middelen namens MAC crediteuren en werknemers van MAC betaald.
Per saldo heeft Coachtracs momenteel ca € 230.000 te vorderen van MAC.
Ik heb hieromtrent diverse malen contact gezocht met de belastingdienst.
Ik zal nogmaals een poging doen.
De contactgegevens staan op de bijlage vermeld."
Conclusie
2.Het procesverloop (op hoofdlijnen)
In eerste aanleg
rechtbank). En daarbij gevorderd, kort gezegd, dat de rechtbank:
p-v).
hof). En daarbij in de hoofdzaak geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof: het vonnis vernietigt; de vorderingen van de curator volledig afwijst; de curator veroordeelt om al hetgeen [verweerder] ter uitvoering van het vonnis aan de curator heeft voldaan terug te betalen; en de curator veroordeelt in de proceskosten van beide instanties.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Ontzenuwen vermoeden onbehoorlijke taakvervulling als oorzaak faillissement door [verweerder 1]
De curator heeft hiertegenover aangevoerd dat de verklaring een korte, eenzijdige en niet onderbouwde weergave is van hetgeen aanleiding zou zijn voor het faillissement en heeft de verklaring in de memorie van antwoord geduid als ‘erg oppervlakkig en ongeloofwaardig voor een bestuurder, die hierover jarenlang heeft gezwegen en aantoonbaar betrokken is geweest bij een hele serie vennootschappen die werkzaam zijn in de vervoers- en taxibranche’. De curator betwist verder in algemene zin en zonder toelichting dat e.e.a. zou kunnen blijken uit de administratieve gegevens die aan hem ter beschikking zijn gesteld. Verder betoogt de curator dat indien [verweerder 1] ervoor gezorgd zou hebben dat de koopprijzen voor de verkochte onderdelen van MAC daadwerkelijk geïncasseerd zouden zijn, de financiële situatie van MAC er veel rooskleuriger uitgezien zou hebben en een faillissement zou zijn voorkomen.
Het wagenpark van Parktax was behoorlijk gedateerd. Dit heeft uiteindelijk voor tegenvallende onderhoudskosten gezorgd. Om zeker te stellen dat de chauffeurs ook alle omzet zouden verantwoorden heeft MAC alle taxivoertuigen uitgerust met kostbare zitcontact-sensoren. Deze investering bedroeg € 25.000. De facturen ( [betrokkene 4] ) bevinden zich in de administratie van de curator. (…)
Het vervoer per straattaxi bracht in de loop der jaren veel schade met zich mee. Maandelijks dienden voertuigen te worden hersteld. Inkoopfacturen van o.a. [B] en [D] bevinden zich bij de curator. Hierdoor liepen de verzekeringspremies van de auto’s meer op dan verwacht. Omzetderving door het niet continu kunnen inzetten van al het materieel kwam hier nog bij. Alle bewijzen hiervan bevinden zich bij de curator. Om kosten terug te brengen heeft MAC ontslagvergunningen via het UWV aangevraagd en deels verkregen voor de vaste (dure) arbeidscontracten. De verleende vergunningen door het UWV zijn in het bezit van de curator. MAC had ten slotte vanaf 2003 te kampen met een relatief hoog ziekteverzuim. MAC voerde tevergeefs enkele procedures om ‘zieke’ werknemers te ontslaan waarvan was gebleken dat zij tijdens hun ziekteverlof elders werkzaamheden verrichtten (zie o.a. procedure [...] - Tripels Advocaten Mr. Van den Bergh in de stukken van de curator).”
NJ2007, 2). Stelt de bestuurder daartoe een van buiten komende oorzaak, zoals in dit geval de weigering van de brandverzekeraar de schade van het bedrijf als gevolg van brand te vergoeden, en wordt de bestuurder door de curator verweten dat hij heeft nagelaten het intreden van die oorzaak te voorkomen, dan zal de bestuurder (tevens) feiten en omstandigheden moeten stellen en zonodig aannemelijk maken waaruit blijkt dat dit nalaten geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert. Als hij daarin slaagt, ligt het op de weg van de curator op de voet van het eerste lid van art. 2:248 aannemelijk Pro te maken dat nochtans de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest.” [16]
Stellingen curator onbehoorlijke taakvervulling als oorzaak faillissement
medeeen belangrijke oorzaak van MAC’s faillissement is geweest zonder daarbij te betrekken de stellingen van de curator met betrekking tot het niet-nakomen van de boekhoudplicht. Wat het onderdeel daartoe aanvoert sub a-b komt neer op het volgende. [22]
medeeen belangrijke oorzaak van MAC’s faillissement is geweest. Hierbij kijkt het hof uitsluitend naar de vier dubieuze transacties, niet naar de stellingen van de curator met betrekking tot het niet-nakomen van de boekhoudplicht door [verweerder] Dit laatste is als zelfstandige grond voor aansprakelijkheid door de curator genoemd, ook los van de daaraan verbonden wettelijke fictie en het wettelijk vermoeden. Dat die niet-nakoming van de boekhoudplicht mede een belangrijke oorzaak van het faillissement kan zijn, is evident. [24] Daarop is door de curator mede gewezen in het kader van de derde transactie (het boekhoudkundig “verdicht” uitbetalen van het aanzienlijke kasbedrag van € 177.704). [25] Het hof had hieraan dus mede aandacht moeten besteden. Dit klemt te meer, nu door de procesgang het niet-nakomen van de boekhoudplicht is ondergesneeuwd. Rechtbank en hof kwamen door het niet-tijdig deponeren van MAC’s jaarrekening al uit op art. 2:248 lid 2 BW Pro, waardoor de - gestelde - veel ernstigere niet-nakoming van de boekhoudplicht buiten beschouwing is gebleven.
medeeen belangrijke oorzaak van een faillissement kan zijn geweest, dan wel zijn beslissing ontoereikend gemotiveerd door deze omstandigheden buiten beschouwing te laten.
Ten eerste(
a.1): anders dan het hof meent, staat niet vast dat MAC’s contante opbrengsten geruime tijd feitelijk zijn terechtgekomen bij Coachtracs B.V. (hierna:
Coachtracs). De curator heeft immers telkens aangevoerd dat er door het ontbreken van de rittenstaten geen zicht was op de contante opbrengsten en dus ook niet op de bestemming daarvan. Hij heeft verder aangevoerd dat er geen deugdelijke kasadministratie was, zodat de kasstromen onduidelijk zijn gebleven. Van de uit de boekhouding blijkende kasbetaling aan Coachtracs is gesteld dat het bedrag onjuist is. Er stond dus hooguit vast dat er enig kasgeld naar Coachtracs is gegaan, maar niet dat dit alle contante opbrengsten betrof en al helemaal niet dat dit geruime tijd is gebeurd, nu over periodes niets is gesteld in de processtukken.
Ten tweede(
a.2): het zinsdeel dat “de gelden toch aan (de crediteuren van) MAC ten goede zijn gekomen", is onbegrijpelijk. Het probleem met de eerste, tweede en vierde transacties was volgens de curator dat gelet op de koopovereenkomsten (transacties 1 en 4) en de facturen (transactie 2) bedragen aan MAC hadden moeten worden betaald en dat dit niet is gebeurd. De door het hof aangehaalde constructie verandert daar niets aan. Zeker niet nu de vierde transactie niet Coachtracs maar Taxi Combinatie Maastricht B.V. (hierna:
TCM) betreft en betalingen van Coachtracs aan derden dus hoe dan ook niet redengevend kunnen zijn voor het oordeel dat wat door TCM moest worden betaald ten goede is gekomen van MAC.
Ten derde(
a.3): de curator heeft niet aangevoerd dat "deze handelwijze een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement van MAC". De curator had aangevoerd dat er verkocht was, verrekend was en uitbetaald (de derde transactie) zonder dat uit de boekhouding en administratie bleek dat de koopprijs ten goede was gekomen
van, de facturen betaald waren
aan, dan wel de kasgelden terecht waren afgestaan
door, MAC. Die stellingen worden door het hof niet besproken.
sub a.2strandt op een onjuiste lezing van het arrest en daarmee een gebrek aan feitelijke grondslag. Ik licht dit toe.
(…)
51. Ten aanzien van de transactie achter het
derdeopsommingsteken [dit is dezelfde transactie als bedoeld in rov. 9.4.7, derde gedachtestreepje, A-G] verwijst [verweerder] naar alinea 5 van deze conclusie. De in deze alinea toegelichte stortingen zijn zoals aangegeven op 4 april 2005 als één bedrag (EUR 177.704,-) verwerkt in de grootboekkaart. Deze verwerking is terug te vinden op regel 75 van de grootboekkaart van de rekening-courantverhouding tussen MAC en Coachtracs van boekjaar 2005 (bijgevoegd als productie 13). De Curator stelt in zijn dagvaarding:
“Het is onbekend welke overeenkomst(en) hieraan ten grondslag ligt/liggen.”Ook op dit punt heeft [verweerder 1] echter meerdere keren een toelichting gegeven. Het is volstrekt duidelijk. [verweerder 1] verwijst naar: (i) de toelichting die hij heeft gegeven aan [betrokkene 1] [43] (ii) de toelichting die hij heeft gegeven aan (een medewerker van) de Curator in zijn brief van 23 september 2009 [44] en (iii) de toelichting die hij heeft gegeven aan de Curator in zijn brief van 8 november 2010. [45] Ook aan deze door [verweerder 1] verstrekte uitleg gaat de Curator volledig voorbij. Sterker nog, hij maakt hiervan geen melding in de dagvaarding en verwijt [verweerder 1] dat zijn houding weinig constructief is gebleken.”
derdegedachtestreepje bedoelde transactie. Niet (ook) op de in rov. 9.4.7, eerste, tweede en vierde gedachtestreepjes bedoelde transacties, waarop het onderdeel hier integraal is ingestoken. [47]
sub a.3strandt in de eerste plaats op het aldaar ontbreken van enige vindplaatsverwijzing, voor zover het hier beroep doet op wel door de curator betrokken stellingen. Verder geldt dat, naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel, de in rov. 9.4.7, derde gedachtestreepje van het arrest bedoelde transactie wel degelijk volgens de curator deel uitmaakte van vier als kennelijk onbehoorlijke taakvervulling aan te merken ‘dubieuze transacties’ (bedoeld in rov. 9.4.7, eerste t/m vierde gedachtestreepjes) die zouden hebben geleid tot MAC’s faillissement. Zie onder 3.10.3 hiervoor. Overigens behandelt het hof in rov. 9.4.8 wel degelijk die stellingname van de curator inzake de vier ‘dubieuze transacties’, zoals blijkens rov. 9.4.7-9.4.8 en niet onbegrijpelijk verstaan, [48] maar gaat het daarin niet mee in het licht van het processuele debat. Zie onder 3.10.3 en 3.15.1 hiervoor.
sub a.1. Dit strandt op het volgende, in lijn met 3.15-3.16 hiervoor.
3) Kasopname 4 april 2005 van € 177.704”, [52] staat slechts als opmerking van de curator ter mondelinge behandeling: “Bij dagvaarding is ook bedoeld te stellen dat de omvang van € 177.704 onjuist is.” Waarom dit laatste dan zo zou zijn, lees ik daar niet. [53] Het onderdeel merkt daarover evenmin iets op, want beperkt zich hier tot: “Van de uit de boekhouding blijkende kasbetaling aan Coachtracs is gesteld dat het bedrag onjuist is”. Dit klemt te meer in het licht van de uitgebreide reactie van [verweerder] in de conclusie van antwoord inzake genoemde transactie, deels geciteerd onder 3.15.2 hiervoor.
Ten eerste(
a.1): het is onbegrijpelijk dat het hof van belang vindt dat er een contract is gesloten met Parktax B.V. (hierna:
Parktax). Overeenkomsten met Parktax zijn door de curator niet ten grondslag gelegd aan zijn vorderingen. En evenmin door [verweerder] aangevoerd ter weerlegging van de stellingen van de curator met betrekking tot de dubieuze transacties. Parktax is door [verweerder] alleen genoemd in productie 3 bij de memorie van grieven, namelijk als het bedrijf waarvan in 2002 door MAC activa zijn overgenomen. Een verband met de stelling van de curator dat er activa aan MAC zijn onttrokken zonder tegenprestatie, is niet door partijen gelegd.
Ten tweede(
a.2): het is zo mogelijk nog onbegrijpelijker dat het hof ook van belang vindt dat, "zoals door [verweerder 1] gesteld", vaststaat dat er overeenkomsten zijn gesloten met TCM en Coachtracs. De betrokken overeenkomsten zijn niet gesteld door [verweerder] , maar door de curator en wel als grondslag van zijn vordering. [verweerder] heeft zich niet op die overeenkomsten als verweer beroepen, maar het sluiten van die overeenkomsten bij conclusie van antwoord (impliciet) erkend. Het is duister welke redenering het hof heeft gevolgd om hierin iets te zien wat kan afdoen aan de stellingen van de curator. Over de overeenkomsten met TCM en Coachtracs is geen discussie, dus dat deze vaststaan draagt - zonder nadere toelichting - niet bij aan het oordeel dat de curator ten onrechte zou stellen dat er niet is betaald voor wat is verkocht respectievelijk kasgelden zijn afgestaan zonder genoegzame grond.
Ten derde(
a.3): ook het zinsdeel dat er "de nodige verschuldigde betalingen daartoe zijn verricht", is zodanig dat de gedachtegang van het hof daaruit niet duidelijk wordt. Door geen van beide partijen is gesteld dat tot ("daartoe") het aangaan van die overeenkomsten iets is betaald. Mocht het hof bedoelen dat vaststaat dat er in ieder geval iets door de kopers is betaald, dan is dit juist bestreden door de curator omdat een boekhouding en administratie waaruit dat zou kunnen blijken, ontbreken.
sub a.1ziet voorbij aan hetgeen het hof beoogt met de verwijzing in rov. 9.4.8, zesde zin van het arrest naar een door MAC “met Parktax” gesloten contract. Daarmee brengt het hof kenbaar een markering in tijd aan. Aldus dat de hier relevante contracten van MAC met Coachtracs (in verband met de in rov. 9.4.7, eerste en tweede gedachtestreepjes bedoelde transacties), en met TCM (in verband met de in rov. 9.4.7, vierde gedachtestreepje bedoelde transactie), dateren van ná dat contract van MAC met Parktax waarbij MAC in 2002 haar activiteiten overnam (“en nadien met”, etc.). [57] Op laatstgenoemd contract is door [verweerder] ook gewezen in het kader van wat volgens hem heeft geleid tot MAC’s faillissement, [58] naar het hof al onderkent in rov. 9.4.5, eerste zin. Kortom, ’s hofs verwijzing in rov. 9.4.8, zesde zin naar dat door MAC met Parktax gesloten contract is niet onbegrijpelijk, want heeft een verklaarbare functie in het kader van rov. 9.4.7-9.4.8 en sluit aan op het processuele debat.
sub a.2.
Conclusie: er is geen sprake van onbehoorlijke taakvervulling
sub a.3. Ook dit mislukt.
en dat in verband daarmee ook de nodige - verschuldigde - betalingen zijn verricht, zodat ook hier niet gezegd kan worden dat zaken zijn verdwenen uit MAC’s vermogen zonder dat daar een tegenprestatie tegenover stond. Wat dus moet worden bezien in het licht van het processuele debat. Specifiek hetgeen [verweerder] heeft aangevoerd ter weerlegging van de verwijten van de curator ter zake, en wat de curator daartegenover heeft gesteld. Zie onder 3.22.1-3.22.4 hiervoor. Anders dan het onderdeel hier veronderstelt, wordt ’s hofs gedachtegang daaruit dus wel degelijk duidelijk.
kanonderbouwen, omdat er nu eenmaal geen informatie
is.
sub a.
sub b.1. Dit betreft de in rov. 9.4.7, eerste gedachtestreepje van het arrest bedoelde transactie.
sub (i)in wezen tot een beroep op het, door het ontbreken van een bankadministratie bij MAC, niet kunnen verifiëren van dat ontvangende bankrekeningnummer als vermeld op de door [verweerder] overgelegde bankafschriften van Coachtracs. Daarbij negeert de curator het feit dat bij dat bankrekeningnummer dus telkens MAC staat vermeld als ontvangende partij. Welk bankrekeningnummer blijkens p. 1 van bijlage A bij de brief van [verweerder 1] aan de curator van 8 november 2010, getiteld “
ING Bank Electronic Banking voor Windows - Mutaties” en overgelegd door de curator zelf als productie 8 bij inleidende dagvaarding, toebehoort aan MAC. Een (gemotiveerde) betwisting door de curator van de authenticiteit van laatstgenoemde document lees ik nergens. [71] Evenmin betwist de curator de authenticiteit van die overgelegde bankafschriften. Noch zet de curator uiteen dat het niet mogelijk was in het kader van MAC’s faillissement de banken, waaronder ING, aan te schrijven om helder te krijgen welke bankrekening(en) nou aan MAC toebehoorde(n). Hij beperkt zich daarbij
sub (ii)in wezen tot een beroep op het, door het ontbreken van een bankadministratie bij MAC, niet kunnen zien wat er vervolgens met die betalingen aan MAC is gebeurd, zo deze zijn gedaan. Daarbij ziet de curator eraan voorbij, nog los van het voorgaande, dat het hier erom gaat of die betalingen - optellend tot genoemde koopsom - aan MAC zijn gedaan (zie rov. 9.4.7-9.4.8), niet wat MAC bij ontvangst ervan vervolgens heeft gedaan met die gelden in het kader van haar bedrijfsvoering.
sub b.2. Dit betreft de in rov. 9.4.7, tweede gedachtestreepje van het arrest bedoelde transactie.
sub b.3. Dit betreft de in rov. 9.4.7, derde gedachtestreepje van het arrest bedoelde transactie.
Deze boeking van 4 april 2005 boekt het saldo boekhoudkundig weg tegen de rekening-courant schuld welke gelijktijdig ontstond doordat Coachtracs allerlei kosten voor M.A.C. betaalde.”
Coachtracs heeft deze contanten van MAC aangewend om hiermee crediteuren van MAC te betalen.
In de financiële administratie van MAC herkent u (zoals bekend) de betalingen aan crediteuren van MAC, die door Coachtracs zijn uitgevoerd aan de benaming ‘R/C’ in de omschrijving van de boeking (R/C staat voor R/C Coachtracs).
Als u een overzicht afdrukt van alle crediteurenkaarten (administratie MAC) ziet u alle betalingen staan die Coachtracs heeft uitgevoerd namens MAC. U herkent deze aan de toevoeging ‘R/C’ in de omschrijving.
Van al deze betalingen die Coachtracs namens MAC heeft uitgevoerd zou ik u indien u dat wenst het betalingsbewijs kunnen bezorgen.
sub b.4. Dit betreft de in rov. 9.4.7, vierde gedachtestreepje van het arrest bedoelde transactie.
De vorderingen
(…)
Subsidiairoverigens vult de curator de rechtsgronden van zijn vorderingen aan in die zin dat hij die vorderingen ook baseert op onrechtmatig handelen van [verweerder 1] en [verweerster 2] , in die zin dat zij jegens de gefailleerde vennootschap MAC en derhalve jegens de boedel onrechtmatig hebben gehandeld, ten gevolge waarvan de gefailleerde vennootschap, en dus de boedel schade heeft geleden, voor welke schade [verweerder 1] en [verweerster 2] aansprakelijk zijn. Ter onderbouwing van de stelling dat zij, [verweerder 1] en [verweerster 2] , onrechtmatig gehandeld hebben zij verwezen naar al hetgeen de curator in eerste aanleg en in deze memorie van antwoord heeft gesteld. De dientengevolge geleden schade wordt begroot op een bedrag gelijk aan het tekort in het faillissement.”
€ 1.302,-- aan griffierechten en € 6.365,83 aan salaris advocaat voor de eerste aanlegen € 1.756,-- aan griffierecht en € 5.878,50 (tarief VI) aan advocaatkosten (…);
(…)”