Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
31 oktober 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor het rijden onder invloed van MDMA op 2 juli 2018. Het hof bevestigde het vonnis van de politierechter, maar wijzigde de straf.
De kern van het cassatiemiddel betrof de vraag of artikel 13 lid 1 onder Pro d van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen, dat voorschrijft dat het bloedbuisje na bloedafname zo spoedig mogelijk naar het laboratorium moet worden gezonden, een strikte waarborg vormt in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid 5 WVW Pro 1994. Het hof had geoordeeld dat dit niet het geval was.
De Hoge Raad herhaalt zijn eerdere jurisprudentie (onder meer HR:2022:567) waarin is vastgesteld dat dit voorschrift wel degelijk een strikte waarborg is. Het oordeel van het hof dat dit niet zo is, is onjuist. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag voor hernieuwde berechting en beslissing.
De Hoge Raad benadrukt dat het begrip 'onderzoek' in artikel 8 lid 5 WVW Pro 1994 moet worden uitgelegd in samenhang met de strikte waarborgen die de betrouwbaarheid van het bloedonderzoek garanderen. Het niet naleven van deze waarborgen kan leiden tot vernietiging van een veroordeling. De zaak vervolgt hiermee de lijn van eerdere arresten en bevestigt het belang van strikte naleving van procesvoorschriften bij bloedonderzoeken in verkeerszaken.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof Den Haag voor hernieuwde berechting.