ECLI:NL:HR:2023:1664
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toerekening stichtingsvermogen aan erflaatster in erfbelastingzaak
Belanghebbende, zoon en enige erfgenaam van erflaatster, stelde zich in cassatie op het standpunt dat het vermogen van Stichting [B] niet volledig aan erflaatster kon worden toegerekend. De Stichting bezat vier panden en had als doel het bevorderen van onderwijs en interculturele uitwisseling, maar het hof oordeelde dat zij feitelijk alleen de panden exploiteerde en dat erflaatster een meer dan bijkomstig particulier belang nastreefde.
Het hof concludeerde dat sprake was van het afzonderen van vermogensbestanddelen in de Stichting door erflaatster onder ongebruikelijke voorwaarden, waardoor het gehele vermogen van de Stichting aan haar moest worden toegerekend. Belanghebbende voerde aan dat, als sprake was van afzondering, hij als inbrenger ook vermogen had afgezonderd en dat het vermogen dus niet volledig aan erflaatster kon worden toegerekend.
De Hoge Raad verwierp dit verweer omdat belanghebbende dit subsidiair niet had aangevoerd in hoger beroep, waardoor het hof zich hierover niet hoefde uit te laten. Ook andere klachten van belanghebbende werden ongegrond verklaard. De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het hof en wees het cassatieberoep af.
De uitspraak betreft een belangrijke bevestiging van de toepassing van artikel 2.14a Wet IB 2001 en het APV-regime bij de toerekening van stichtingsvermogen aan een erflaatster in het kader van de erfbelasting. De Hoge Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het vermogen van de Stichting wordt volledig toegerekend aan erflaatster.