ECLI:NL:HR:2023:1665

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 december 2023
Publicatiedatum
30 november 2023
Zaaknummer
22/03523
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 lid 1 AwbArt. 7:15 lid 2 AwbWet waardering onroerende zakenMinisteriële regeling van 12 december 2022 nr. 4343031Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt kostenvergoeding bezwaarfase bij volledig in stand blijven uitspraak bezwaar

Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag over een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag onroerendezaakbelasting 2019.

Belanghebbende had een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg gevorderd. Het hof oordeelde dat de termijn was overschreden en kende vergoeding toe, inclusief proceskosten voor bezwaar, beroep en hoger beroep, ondanks dat de uitspraak op bezwaar volledig in stand bleef.

De Hoge Raad vernietigt het hofsoordeel over de kostenvergoeding voor de bezwaarfase, verwijzend naar het arrest van 20 maart 2015, waarin is bepaald dat kosten van de bezwaarfase alleen vergoed worden indien het bezwaar gegrond wordt verklaard en het besluit wordt herroepen wegens bestuursorgaantoerekenbare onrechtmatigheid.

De Hoge Raad veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten voor de procedures bij rechtbank en hof, berekend volgens de geldende ministeriële regeling. De zaak wordt hiermee afgedaan zonder verdere proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor de proceskosten in de bezwaarfase en veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten voor rechtbank en hof.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/03523
Datum1 december 2023
ARREST
in de zaak van
het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GOUWERIJNLAND
tegen
[X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 16 augustus 2022, nr. BK-21/00609 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 20/3414) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk voor het jaar 2019.

1.Geding in cassatie

Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Beoordeling van de klacht

2.1.1 Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade vanwege de overschrijding van de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift ontvangen op 11 april 2019 en op 31 maart 2020 uitspraak op het bezwaar gedaan. De Rechtbank heeft op 28 mei 2021 uitspraak gedaan.
2.1.2 Het Hof heeft – anders dan de Rechtbank – geoordeeld dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden en dat belanghebbende daarom recht heeft op een vergoeding van immateriële schade.
2.1.3 Het bezwaar, beroep en hoger beroep zijn in deze zaak ongegrond verklaard. In de toekenning van een vergoeding van immateriële schade heeft het Hof niettemin aanleiding gezien de heffingsambtenaar te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte (proces)kosten in bezwaar, beroep en hoger beroep.
2.2.1 De klacht is gericht tegen het hiervoor in 2.1.3 weergegeven oordeel en betoogt dat geen plaats is voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase, omdat de uitspraak op bezwaar volledig in stand blijft. Volgens de klacht is het oordeel van het Hof in zoverre in strijd met het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660 (hierna: het arrest van 20 maart 2015).
2.2.2 Deze klacht slaagt. Zoals de Hoge Raad in het arrest van 20 maart 2015 heeft geoordeeld, bestaat voor een vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten geen aanleiding als de uitspraak op bezwaar volledig in stand is gebleven. Voor vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten is – na een daartoe in de bezwaarfase gedaan verzoek – alleen plaats voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid (artikel 7:15, lid 2, Awb). In deze procedure is niet aan deze voorwaarde voldaan.
2.2.3 De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Bij de berekening van de vergoeding van de kosten van belanghebbende voor de gedingen voor de Rechtbank en het Hof, gaat de Hoge Raad uit van het door het Hof vastgestelde, in cassatie niet bestreden aantal punten per proceshandeling, en volgt hij de door het Hof gehanteerde, in cassatie niet bestreden wegingsfactor 0,5 vanwege het gewicht van de zaak. Gelet op artikel IV van de Ministeriële regeling van 12 december 2022 [2] en de op die regeling gegeven toelichting moeten die proceskosten worden berekend naar de waarde per punt zoals deze ten tijde van het wijzen van dit arrest geldt, dat wil zeggen naar een waarde per punt van € 837. [3]

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof voor zover die betreft de beslissing omtrent de proceskosten, en
- veroordeelt de heffingsambtenaar van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 837 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op € 837 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2023.

Voetnoten

2.Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 12 december 2022, nr. 4343031, tot indexering van bedragen in de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht, Stcrt. 2022, 34448.
3.Vgl. HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752, rechtsoverwegingen 5.2 tot en met 5.8.