Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
5 december 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van MDMA en cocaïne. Het hof bevestigde het vonnis van de politierechter, inclusief de verbeurdverklaring van een geldbedrag van €1.940.
De Hoge Raad oordeelt dat voor verbeurdverklaring vereist is dat één van de in artikel 33a lid 1 Sr genoemde gronden zich voordoet ten aanzien van het bewezenverklaarde feit. Het hof heeft echter nagelaten te motiveren op welke grond(en) de verbeurdverklaring van het geldbedrag is gebaseerd.
Gelet op de bewezenverklaarde feiten, namelijk het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs, is de motivering van de verbeurdverklaring ontoereikend. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof uitsluitend voor zover het de verbeurdverklaring betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling. Het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor de verbeurdverklaring van €1.940 en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.