ECLI:NL:PHR:2023:884
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt arrest over niet-ontvankelijkheid OM bij dierenmishandeling en verwijst zaak terug
De zaak betreft de vervolging van een verdachte die ervan wordt verdacht op 27 november 2018 in Den Haag de hond van zijn buurman te hebben gedood met een smal steekvoorwerp. Het hof verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk omdat het volgens het hof onterecht de Richtlijn voor strafvordering dierenmishandeling en dierenverwaarlozing uit 2021 had toegepast, terwijl volgens het hof alleen artikel 350 lid 2 Sr Pro van toepassing was.
De verdediging stelde dat de Wet dieren (art. 2.10) alleen ziet op het doden van een eigen dier, terwijl art. 350 lid 2 Sr Pro ziet op het doden van een dier van een ander. Het hof volgde dit en oordeelde dat het OM in strijd met de richtlijn tot vervolging was overgegaan. De Hoge Raad stelt echter dat de richtlijn niet de reikwijdte van de wet bepaalt en dat deze uitsluitend uit de wet en haar geschiedenis kan worden afgeleid.
De Hoge Raad overweegt dat zowel art. 2.10 Wet dieren als art. 350 lid 2 Sr Pro van toepassing kunnen zijn bij het doden van de hond van een ander, omdat art. 350 lid 2 Sr Pro het eigendomsrecht beschermt en de Wet dieren het dierenwelzijn. Het hof heeft ten onrechte Richtlijn 2021 toegepast in plaats van Richtlijn 2015, die op het moment van het feit van toepassing was. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe behandeling.
De conclusie benadrukt dat richtlijnen van het OM lagere normatieve waarde hebben dan de wet en dat de toepassing van strafbepalingen moet worden afgeleid uit de wetstekst en wetsgeschiedenis. De zaak wordt terugverwezen zodat het hof opnieuw kan beoordelen of het OM ontvankelijk is en welke strafbepaling van toepassing is.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.