ECLI:NL:HR:2023:1748

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 december 2023
Publicatiedatum
14 december 2023
Zaaknummer
22/04146
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel hof over winstdeling bij levensverzekering

In deze zaak stond de uitleg van een gemengde levensverzekering centraal, waarbij winstdeling was gebruikt voor de aanvulling van een jaarlijks dalend verzekerd kapitaal bij overlijden voor de einddatum. De vraag was of het gedeelte van de winstdeling dat voor deze aanvulling was gebruikt, alsnog uitgekeerd moest worden aan de verzekerde die op de einddatum in leven was.

De Hoge Raad verwees naar eerdere uitspraken van de rechtbank Den Haag en het gerechtshof Den Haag, die de zaak in feitelijke instanties hadden behandeld. Het cassatieberoep van eiser richtte zich tegen het arrest van het hof, waarin het hof het standpunt van De Goudse levensverzekeringen had bevestigd.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van eiser niet konden leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. Daarbij was het niet nodig om inhoudelijk in te gaan op de motieven, omdat de klachten geen vragen opriepen die van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde eiser in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee werd het oordeel van het hof bekrachtigd dat de winstdeling zoals toegepast door De Goudse niet tot een aanvullende uitkering aan eiser leidde.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer22/04146
Datum15 december 2023
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: J. van Weerden,
tegen
GOUDSE LEVENSVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Gouda,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: De Goudse,
advocaat: M.S. van der Keur.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/09/572294 / HA ZA 19-405 van de rechtbank Den Haag van 30 oktober 2019;
b. het arrest in de zaak 200.277.496/01 van het gerechtshof Den Haag van 23 augustus 2022.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De Goudse heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor De Goudse toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal S.D. Lindenbergh strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van De Goudse begroot op € 2.845,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op
15 december 2023.