Conclusie
payrollingals uitzendkracht ter beschikking gesteld aan de Gemeente, die de kinderboerderij exploiteerde.
De Gemeente heeft een vaststellingsovereenkomst met de ouders van de jongen gesloten, waarin de partijen zijn overeengekomen dat de Gemeente (althans haar aansprakelijkheidsverzekeraar) de door de jongen en zijn ouders geleden en nog te lijden schade als gevolg van de gebeurtenissen in 2013 volledig en tussentijds zal vergoeden. Voor zover in cassatie van belang gaat het in deze zaak om de schade die de Gemeente op grond van een met Unique overeengekomen vrijwaringsbeding op haar wil verhalen. De schade van de Gemeente bestaat uit de bedragen die zij (althans haar aansprakelijkheidsverzekeraar) aan de jongen en zijn ouders heeft uitgekeerd en nog zal uitkeren. Het hof heeft, anders dan de rechtbank, geoordeeld dat Unique op de contractuele grondslag aansprakelijk is voor de schade van de Gemeente. In cassatie bestrijdt Unique dat oordeel met verschillende rechts- en motiveringsklachten en bestrijdt zij verder ook de afwijzing door het hof van een incidentele vordering op de voet van art. 843a Rv.
1.Feiten
1 Definities(...)
DeelnemerEen gemeentelijk onderdeel (...) danwel een aan de gemeente Amsterdam gelieerde organisatie die op basis van de Raamovereenkomst een Nadere Overeenkomst met Leverancier wenst af te sluiten
3.Aansprakelijkheid
4.Verzekering
8.Nadere Offerte en Nadere Overeenkomst
Artikel 15Aansprakelijkheid
payrollingals uitzendkracht ter beschikking werd gesteld aan de Gemeente. De in het geding gebrachte nadere overeenkomst is van 17 oktober 2013. [4] De functie van [betrokkene 1] was blijkens de nadere overeenkomst dierenverzorger en de locatie van de werkzaamheden was Valentijnkade 131 te Amsterdam. Op dat adres is Jeugdland gevestigd.
Partijen nemen het volgende in aanmerking:
A-G] is [betrokkene 1] te Amsterdam ter zake deze feiten tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf veroordeeld.
A-G] en was door Creyff’s uitgeleend aan de gemeente. De facto werkte [betrokkene 1] als medewerker bij Jeugdland Oost. Bij de werkzaamheden die [betrokkene 1] uitvoerde kwam hij in aanraking met kinderen, onder meer met [betrokkene 2] .
A-G] hebben de gemeente aansprakelijk gesteld voor de door hen en door [betrokkene 2] geleden en te lijden schade, voortvloeiende uit de gebeurtenissen van 2013 ter zake waarvan [betrokkene 1] door de rechtbank te Amsterdam werd veroordeeld. [de ouders van betrokkene 2] hebben daartoe gesteld dat [betrokkene 1] jegens hen en jegens [betrokkene 2] onrechtmatig heeft gehandeld, en dat de gemeente daartoe op de voet van art. 6:170 BW Pro kan worden aangesproken.
de vorderingen van henzelf en de vordering van hun zoon, die zij hebben uit hoofde van de hiervoor bedoelde gebeurtenissen uit 2013, op [betrokkene 1] en op Creyff’s” overgedragen aan de Gemeente.
2.Procesverloop
Eerste aanleg
Is de Gemeente jegens [betrokkene 2] en zijn ouders aansprakelijk op de voet van artikel 6:170 lid 1 BW Pro?
Voor schade, aan een derde toegebracht door een fout van een ondergeschikte, is degene in wiens dienst de ondergeschikte zijn taak vervult aansprakelijk, indien de kans op de fout door de opdracht tot het verrichten van deze taak is vergroot en degene in wiens dienst hij stond, uit hoofde van hun desbetreffende rechtsbetrekking zeggenschap had over de gedragingen waarin de fout was gelegen.
payrollingals uitzendkracht ter beschikking gesteld aan de Gemeente. De Gemeente geeft een veel te ruime uitleg aan artikel 15, die niet strookt met de bedoelingen van partijen en die ook niet kenbaar was voor Unique. Unique zou een dergelijk beding, waarbij de balans helemaal doorslaat in het voordeel van de Gemeente, nooit hebben aanvaard. Voor zover dit al kenbaar zou zijn geweest, voert Unique aan dat er over dit artikel niet werkelijk is onderhandeld. Als inschrijvende partij in een aanbestedingsprocedure had Unique geen mogelijkheid om af te wijken van de door de Gemeente gestelde voorwaarden. De Gemeente kon als commercieel sterkste partij vasthouden aan de inhoud van haar algemene inkoopvoorwaarden. In dit verband onderstreept Unique dat de Gemeente zelf erkent dat zij met geen enkel tekstvoorstel van de deelnemende partijen aan de aanbesteding akkoord is gegaan. Dit brengt met zich dat artikel 15 zo Pro beperkt mogelijk moet worden uitgelegd, aldus Unique.
De Leverancier zal de Gemeente Amsterdam vrijwaren voor alle aanspraken van derden in verband met schade ontstaan door of in verband met de Producten en/of Diensten. De bewoordingen van dit beding laten er geen misverstand over bestaan dat aansprakelijkheid van Unique in beginsel reeds ontstaat indien een derde (in dit geval [betrokkene 2] en zijn ouders) aanspraak maakt ‘in verband met schade ontstaan door of in verband met de diensten’. Zoals hiervoor is geoordeeld in verband met de aansprakelijkheid van de
Gemeentekrachtens artikel 6:170 BW Pro is er een functioneel verband aanwezig tussen de onrechtmatige gedragingen van [betrokkene 1] en de uitvoering van de aan hem opgedragen taak. Naar het oordeel van het hof is dat verband ook aanwezig waar het de aansprakelijkheid – jegens [betrokkene 2] en zijn ouders – betreft van
Uniquevoor deze onrechtmatige gedragingen. [betrokkene 1] was immers ten tijde van die gedragingen op basis van een nadere overeenkomst tussen de Gemeente en Unique door Unique als uitzendkracht ter beschikking gesteld aan de Gemeente. Door het ter beschikking stellen van [betrokkene 1] aan de Gemeente voor de onderhavige taak is de kans op de onrechtmatige gedragingen van [betrokkene 1] vergroot (zie ook Hoge Raad van 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1345, rov. 3.4.4). Anders dan Unique betoogt, staat aan dit oordeel niet in de weg dat Unique ten aanzien van [betrokkene 1] slechts als formele werkgever had te gelden en ten aanzien van de omgang met mens en dier geen enkele instructiebevoegdheid had. Het is vaste rechtspraak dat de uitlener eerst dan niet aansprakelijk is voor de ter beschikking gestelde arbeidskracht indien hij kan aantonen dat hij ondanks het voortduren van het dienstverband geen enkele zeggenschap meer had uit hoofde van zijn rechtsbetrekking. Gesteld noch gebleken is dat Unique ‘geen enkele zeggenschap’ over wat dan ook had. Unique heeft zelf erkend dat zij bijvoorbeeld bevoegd was om een schorsing op te leggen. Het bestaan van zeggenschap bij de aansprakelijk gehouden partij over de vraag of en op welke momenten de persoon die onrechtmatig heeft gehandeld, werkzaamheden voor een bepaalde derde (in casu: de Gemeente) dient uit te voeren, is in beginsel toereikend voor de toepassing van de in artikel 6:170 lid 1 BW Pro vereiste ondergeschiktheid (Hoge Raad van 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1345, rov, 3.4.2). Dit leidt tot de conclusie dat niet alleen de Gemeente, maar ook Unique op de voet van dit artikel aansprakelijk is jegens [betrokkene 2] en zijn ouders voor de door hen geleden schade. Dit brengt automatisch met zich dat de schade die is ontstaan als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van [betrokkene 1] moet worden aangemerkt als ‘schade ontstaan door of in verband met de diensten’ in de zin van artikel 15 lid 2 van Pro de algemene inkoopvoorwaarden.
payrolling, zoals in deze zaak het geval is. Gezien het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat Unique redelijkerwijs mocht verwachten dat geen beroep zou kunnen worden gedaan op het vrijwaringsbeding omdat Unique niet de werving en selectie heeft gedaan. In de door Unique geciteerde punten van de Nota van inlichtingen heeft de Gemeente gereageerd op vragen en tekstvoorstellen van participerende partijen. In punt 103 heeft de Gemeente vragen over artikel 15 van Pro de algemene inkoopvoorwaarden als volgt beantwoord:
Artikel 15 van Pro de Inkoopvoorwaarden en artikel 3 van Pro de Raamovereenkomst blijven van toepassing. U dient deze artikelen te lezen in relatie tot de verplichtingen van het Uitzendbureau. (...) Schade die voortkomt uit niet-nakoming/ niet-volledige of niet-behoorlijke nakoming van de verplichtingen van het Uitzendbureau komt voor rekening van het Uitzendbureauen in punt 115 over artikel 11.1 van de raamovereenkomst: [14] Indien alle verplichtingen naar behoren zijn uitgevoerd en desondanks blijkt dat de Uitzendkracht niet integer handelt, valt dit het Uitzendbureau uiteraard niet te verwijten. Het is juist dat in deze punten van de Nota van inlichtingen in verband met artikel 15 van Pro de algemene inkoopvoorwaarden wordt gesproken over de verplichtingen van het uitzendbureau en wordt vermeld dat schade die voortkomt uit niet-nakoming daarvan voor rekening komt voor het uitzendbureau, maar dat sluit niet uit dat ook schade als hier aan de orde onder artikel 15 valt Pro. Bovendien valt uit punt 103 op te maken dat de door de inschrijver voorgestelde aanpassing van artikel 15 (inhoudende, kort gezegd, dat de leverancier tegenover de opdrachtgever
nietaansprakelijk is voor schade van derden,
tenzijer sprake is van een tekortkoming van de leverancier) de (beperktere) strekking heeft die Unique thans bepleit. Zoals de Gemeente onderstreept, is dat voorstel door de Gemeente afgewezen en had Unique uit die afwijzing kunnen opmaken dat het vrijwaringsbeding niet de door haar verwachte beperkte strekking had. De Gemeente heeft in dit verband ter compensatie ingestemd met een beperking van de aansprakelijkheid (in artikel 3 van Pro de raamovereenkomst) tot één miljoen euro per gebeurtenis. In het licht van dit alles is onvoldoende toegelicht dat met het bepaalde in artikel 11.1 van de raamovereenkomst betreffende de integriteit van de uitzendkracht en punt 115 van de Nota van inlichtingen het vrijwaringsbeding opzij is gezet. Unique heeft evenmin voldoende toegelicht hoe de totstandkoming van dat beding en de door Unique gestelde ongelijke verhouding tussen partijen tot een andere uitleg zou moeten leiden dan die door de Gemeente voorgestaan.”
Is het beroep op het vrijwaringsbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar?
A-G] BW. De Gemeente heeft evenwel ter comparitie in eerste aanleg onbetwist gesteld dat zij niet beschikt over de verklaringen van medewerkers die zijn afgelegd in het kader van de strafzaak. Die stukken zijn in handen van Justitie. Naar het oordeel van het hof kan van de Gemeente niet worden gevergd dat zij deze stukken opvraagt bij Justitie, daargelaten dat het de vraag is of Justitie die stukken aan de Gemeente zou verstrekken en die stukken vervolgens gedeeld zouden mogen worden met Unique. De afwijzing door de rechtbank van de incidentele vordering zal dus in stand blijven.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
bij alle hierna te vermelden cassatieklachten of -onderdelen” (randnummer 3.1. van de procesinleiding) tot uitgangspunt neemt dat sprake was van
payrollingen Unique daar in haar procesinleiding en schriftelijke toelichting een eigen betekenis aan heeft gegeven, maak ik eerst enkele inleidende opmerkingen over die arbeidsrechtelijke figuur. In het dagelijkse spraakgebruik wordt onder
payrollenverstaan “
de verloning van personeel uitbesteden aan een personeelsdienstverlener om te besparen op de salarisadministratie”. [16] In deze betekenis heeft het payrollbedrijf arbeidsrechtelijk geen eigen rol; de werknemer heeft een arbeidsovereenkomst met de opdrachtgever van het payrollbedrijf (de inlener) en (dus) niet met het payrollbedrijf. [17] In het onderhavige geval gaat het echter om een payrollconstructie waarbij niet alleen het verzorgen van de salarisadministratie, maar (ook) het werkgeverschap als zodanig aan het payrollbedrijf is uitbesteed. Heerma van Voss schrijft over
payrollingin deze betekenis:
payrollingvolgens deze wettelijke definitie moet worden bepaald aan de hand van de overeenkomst tussen de payrollwerknemer en de payrollwerkgever en de overeenkomst van opdracht van de payrollwerkgever met de derde, [24] in het onderhavige geval zou dat dus geschieden aan de hand van de arbeidsovereenkomst die was gesloten tussen [betrokkene 1] en (een rechtsvoorganger van) Unique (zie randnummer 1.5 hiervoor) en de raamovereenkomst en de nadere overeenkomst met betrekking tot [betrokkene 1] tussen de Gemeente en (een rechtsvoorganger van) Unique (zie randnummers 1.2 en 1.6 hiervoor).
payrollingvolgens de in randnummer 3.4 hiervoor weergegeven wettelijke definitie kan verder in het midden blijven, [25] nu in ieder geval vaststaat dat de door het hof vastgestelde
payrollingkwalificeert als een uitzendovereenkomst. [26] Vóór de invoering van art. 7:692 BW Pro werd in de rechtspraak van Uw Raad al aangenomen dat “
nieuwe driehoeksrelaties als payrolling” kunnen worden geschaard onder de reikwijdte van uitzendovereenkomst als bedoeld in art. 7:690 BW Pro. [27] Wat daarvan verder zij, het formele werkgeverschap van Unique in het kader van de door het hof feitelijk vastgestelde
payrolling [28] gaat in elk geval verder dan het vervullen van “
een louter administratieve taak” (randnummer 3.2. van de procesinleiding) en evenmin kan worden volgehouden dat “[d]
e enige taak van Unique als payroll-werkgever erin gelegen[was]
dat zij aan alle fiscale inhoudings- en afdrachtsverplichtingen moest voldoen” (randnummer 1.6. van de schriftelijke toelichting van Unique). In cassatie moet immers tot uitgangspunt worden genomen dat het juridische werkgeverschap van [betrokkene 1] bij Unique lag. Dat het juridische werkgeverschap meer omvat dan slechts het verzorgen van de salarisadministratie (zie ook randnummer 3.2 hiervoor) is nog eens bevestigd in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet arbeidsmarkt in balans:
Het vervullen van de ontzorgende functie heeft tot gevolg dat het payrollbedrijf als werkgever optreedt. Dat is in geen geval een «papieren functie». De wet heeft aan een werkgever verschillende belangrijke taken opgedragen, zoals betaling van loon, zorgen voor scholing en verantwoordelijk zijn voor de re-integratie. De ontzorgende functie van payrolling gaat dan ook verder dan een papieren functie, die door sommigen wordt verondersteld.” [29]
NJ-annotatie van Verhulp bij het (in voetnoot 27 hiervoor) reeds aangehaalde
Leerorkest-arrest, [30] nog gewezen op de mogelijkheid dat onder omstandigheden geen arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de payroll-werkgever (hier dus Unique), maar een arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de inlener (hier dus de Gemeente) moet worden aangenomen. Uitgangspunt is echter (zie ook het citaat uit de wetsgeschiedenis van de Wet arbeidsmarkt in balans aangehaald in het vorige randnummer) dat (wel) sprake is van een reële uitzendovereenkomst, hetgeen onverlet laat dat in uitzonderlijke (misbruik)gevallen, bijvoorbeeld wanneer weliswaar op papier tussen de werknemer en de payroll-werkgever een uitzend- en/of payrollovereenkomst (en daarmee arbeidsovereenkomst) bestond, maar deze slechts was geconstrueerd om als opdrachtgever onder de voor de werknemer uit het arbeidsrecht voortvloeiende bescherming uit te komen, aangenomen kan worden dat geen sprake was van een reële uitzendovereenkomst maar van een arbeidsovereenkomst met de inlener, de materiële werkgever. [31] Dergelijk misbruik van de payrollconstructie door de Gemeente is in de onderhavige zaak in feitelijke instanties gesteld noch gebleken. Het moet er daarom in cassatie voor worden gehouden dat een (reële, dus niet louter papieren) payrollconstructie (een variant op de uitzendovereenkomst en daarmee op de arbeidsovereenkomst) bestond tussen [betrokkene 1] en (een rechtsvoorganger van) Unique (en dus niet tussen [betrokkene 1] en de Gemeente). Dat het payrollbedrijf materieel geen zeggenschap had over de (inhoud van de) werkzaamheden van de werknemer (zie randnummer 3.2 hiervoor) [32] staat in elk geval niet in de weg aan het bestaan van een (reële, niet louter papieren) payrollconstructie. Kenmerk van een uitzendovereenkomst is immers dat de werknemer arbeid verricht onder leiding en toezicht van de derde, de inlener (hier dus de Gemeente). [33] Dat het ook de Gemeente was die [betrokkene 1] aanbood (‘ter beschikking stelde’) aan Unique om op de payroll te plaatsen, zoals Unique in randnummer 1.6. van haar schriftelijke toelichting heeft gesteld, doet aan het voorgaande ook niet af. Unique gebruikt de term ‘ter beschikking stellen’ hier in de letterlijke betekenis van het woord [34] en bedoelt daarmee dus dat niet Unique maar de Gemeente de allocatieve functie (de werving en selectie) heeft vervuld. In cassatie staat echter vast dat [betrokkene 1] door Unique bij wijze van
payrollingals uitzendkracht
ter beschikking werd gesteld(dus in juridische zin, als bedoeld in art. 7:690 BW Pro [35] ) aan de Gemeente. [36]
Dat het onrechtmatige handelen van [betrokkene 1] met betrekking tot het vuurwerkongeval en het seksueel misbruik van [betrokkene 2] kwalificeert als een fout van een ondergeschikte als bedoeld in art. 6:170 lid 1 BW Pro staat in cassatie niet ter discussie. [37] Dat geldt ook voor de aansprakelijkheid op de voet van art. 6:170 lid 1 BW Pro van de Gemeente als materiële werkgever. [38] Het draait dus in cassatie (onder meer) om de vraag of ook Unique als formele (payroll)werkgever aansprakelijk zou kunnen zijn op de voet van art. 6:170 lid 1 BW Pro. [39]
payrollingeen betrekkelijk recent fenomeen is. [40] Over aansprakelijkheid van de formele en/of materiële werkgever op de voet van art. 6:170 lid 1 BW Pro in het kader van de al veel langer bestaande “
klassieke uitzendrelatie” [41] bestaat wel rechtspraak, ook van Uw Raad. [42] Ik zie geen reden waarom deze rechtspraak niet kan worden toegepast op een payrollconstructie zoals de onderhavige, die immers niet (zoals in het dagelijkse spraakgebruik) beperkt is tot het vervullen van een louter administratieve taak. Het enige vaststaande verschil met een klassieke uitzendrelatie is in dit geval dat de Gemeente en niet Unique de allocatieve functie (zoals werving en selectie van [betrokkene 1] ) heeft vervuld. Dat Unique als payrollaanbieder materieel geen zeggenschap over de (inhoud van de) werkzaamheden van [betrokkene 1] zou hebben gehad, is niet uniek voor een payrollconstructie. In geval van een klassieke uitzendrelatie verricht de werknemer immers eveneens arbeid onder toezicht en leiding van de derde (zoals in dit geval de Gemeente).
A-G] de in zijn dienst zijnde werknemer ter beschikking stelt van B [de materiële werkgever,
A-G]. Is in dit geval A dan wel B aansprakelijk voor de onrechtmatige daad van die werknemer, of zijn beiden aansprakelijk? Uit de rechtspraak van de Hoge Raad kunnen hieromtrent de volgende regels worden afgeleid. Normaal gesproken zal A uit art. 6:170 BW Pro aansprakelijk blijven, maar dit kán anders zijn, en wel indien de overeenkomst tussen A en B en de wijze waarop daaraan uitvoering wordt gegeven, tot de slotsom nopen dat A, ondanks het voortduren van het dienstverband, over de gedragingen van de werknemer waarin diens fout was gelegen, geen enkele zeggenschap uit hoofde van zijn rechtsbetrekking met de werknemer meer had. In dit uitzonderingsgeval, dat verwantschap vertoont met de regel van art. 6:181 lid 2 BW Pro met betrekking tot de concentratie van aansprakelijkheid voor zaken (…), is niet A, maar alleen B voor de schade aansprakelijk. Doet de uitzondering zich niet voor, dan zullen in beginsel zowel A als B aansprakelijk zijn, omdat beiden het recht hebben instructies aan de werknemer te geven. Niet aannemelijk acht ik de propositie dat een inlener geen enkele zeggenschap heeft. Het nadeel van die opvatting is bovendien dat zich de situatie zou kunnen voordoen dat uitlener noch inlener de wettelijke zorgplicht jegens de werknemer in acht zou moeten nemen. De omstandigheden van het geval zullen hier derhalve beslissend zijn, hetgeen tevens geldt voor de vraag wie in de onderlinge verhouding tussen A en B de schade moet dragen.
(…)
In zijn noot bij HR 13 mei 1988,
NJ1989/896 is Brunner kritisch over de door de Hoge Raad aangenomen mogelijkheid om een uitzondering te maken op de aansprakelijkheid van A. Hij meent dat de beschermingsstrekking van (thans) art. 6:170 BW Pro meebrengt dat de (formele) werkgever (A) altijd aansprakelijk zou moeten zijn en dat een derde (B) naast hem aansprakelijk is als deze enige zeggenschap heeft verkregen en uitgeoefend over de gedragingen van de werknemer waarin de fout was gelegen. (…)” [43]
Nieuw Rotterdam/ [… 1] en [… 2]heeft Uw Raad een uitzondering aanvaard op het uitgangspunt van cumulatieve aansprakelijkheid op de voet van art. 6:170 BW Pro van zowel de formele als de materiële werkgever:
A-G] werkgever van zijn aansprakelijkheid ter zake is ontheven. Voor die ontheffing is nodig dat de desbetreffende overeenkomst van de werkgever met die derde en de wijze waarop daaraan uitvoering wordt gegeven tot de slotsom nopen dat hij, ondanks het voortduren van het dienstverband, over de gedragingen van zijn werknemer waarin diens fout was gelegen, geen enkele zeggenschap uit hoofde van zijn rechtsbetrekking met de werknemer meer had.
A-G] beoogde bescherming van degenen die schade lijden welke is veroorzaakt door ‘dienstboden en ondergeschikten’ in de werkzaamheden waarin dezen voor hun werkgever worden gebruikt, zou immers tekort worden gedaan, als de werkgever van aansprakelijkheid jegens de schadelijdende partij ontheven zou zijn door het enkele feit dat een derde [de materiële werkgever,
A-G] op grond van een overeenkomst met de werkgever – waar de schadelijdende partij buiten staat – tijdelijk over de arbeid van de ondergeschikte kan beschikken en in verband daarmede aanwijzingen kan geven over, en toezicht kan houden op de door de ondergeschikte uit te voeren werkzaamheden. Wel strookt het met de strekking van genoemd voorschrift dat die derde dan voor schade tengevolge van fouten bij die werkzaamheden begaan – mede – aansprakelijk kan zijn. Wie in de onderlinge verhouding tussen de werkgever en de derde de aansprakelijkheid uiteindelijk moet dragen, zal in het algemeen beslist moeten worden aan de hand van de overeenkomst waarbij de werkgever de arbeid van zijn werknemer ter beschikking van de derde heeft gesteld. De schadelijdende partij staat daarbuiten.
NJ-annotatie bij dit arrest, mijns inziens terecht, [45] kritisch getoond over de wijze waarop de door Uw Raad aanvaarde uitzondering is geformuleerd:
A-G]. Naber t.a.p. verbond aan zijn opvatting dat het gezag van de werkgever niet overdraagbaar is, de conclusie dat de uitsluitende zeggenschap van Hoogovens over de werkzaamheden van de ter beschikking gestelde [… 2] , noodzakelijkerwijs impliceerde dat de dienstbetrekking van [… 2] met [… 1] tijdelijk verbroken, althans geschorst was. Ik zou, met de HR uitgaande van het voortduren van de dienstbetrekking, oordelen dat ook de zeggenschap van [… 1] bleef bestaan.” [46]
Rotterdamse politieagentwerd weliswaar eerst de in
Nieuw Rotterdam/ [… 1] en [… 2]aanvaarde uitzondering voor aansprakelijkheid van de formele werkgever op de voet van (thans) art. 6:170 BW Pro herhaald, maar werden algemene bevoegdheden van de formele werkgever (in dat geval een gemeente) tot straffen, schorsing en ontslag voldoende geacht voor het oordeel dat in dat geval niet aan deze uitzondering was voldaan:
Het is evenwel niet zo dat een gemeente ten aanzien van haar politiefunctionarissen geen enkele zeggenschap heeft wanneer deze in het kader van de opsporing van strafbare feiten werkzaamheden verrichten. Weliswaar is de OvJ ingevolge art. 148 lid 1 Sv Pro belast met de opsporing van strafbare feiten en geeft hij daartoe ingevolge lid 2 van dit artikel bevelen aan de 'overige personen met de opsporing belast', onder wie functionarissen van de gemeentepolitie. Maar zulks betekent niet dat de gemeente daardoor elke zeggenschap over deze functionarissen verliest. Niet alleen berust ingevolge art. 3 Politiewet Pro de algemene leiding over de gemeentepolitie – waaronder de algemene bevelsbevoegdheid – bij de burgemeester en stelt deze ingevolge art. 37 van Pro deze Wet de instructie voor deze politie vast, maar ook komt ingevolge de Hoofdstukken VIII en IX van het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie 1958 in beginsel aan de burgemeester dan wel de chef van het korps de in die hoofdstukken geregelde algemene bevoegdheden tot straffen, schorsing en ontslag toe.
Dat de gemeente naast de Staat aansprakelijk is voor door functionarissen van de gemeentepolitie in het kader van de opsporing van strafbare feiten begane fouten, strookt ook met de door art. 1403 lid 3 beoogde Pro bescherming van degenen die schade lijden door fouten van ondergeschikten. Aangezien de onderscheidene aan de politie opgedragen taken onderling sterk verweven zijn, is het dikwijls moeilijk, zo niet onmogelijk uit te maken of bepaalde werkzaamheden worden verricht in het kader van de opsporing van strafbare feiten dan wel in de uitoefening van andere aan de politie opgedragen taken. Mede gelet op evenbedoelde strekking van art. 1403 lid 3 behoort Pro deze moeilijkheid, die haar oorsprong vindt in de wijze waarop door de overheid de taakuitoefening is geregeld, niet ten nadele te werken van de burger die schadevergoeding wil vorderen ter zake van deze taakuitoefening.
Al het vorenstaande raakt niet de vraag wie in de onderlinge verhouding van Staat en gemeente uiteindelijk de schade moet dragen.” [47]
NJ-annotatie bij het arrest inzake de
Rotterdamse politieagentonder meer het volgende op:
Nieuw Rotterdam/ [… 1] en [… 2]aanvaarde ‘ontsnappingsmogelijkheid’ voor aansprakelijkheid van de formele werkgever op de voet van art. 6:170 BW Pro dient naar mijn mening dus, gelet op de rationes van art. 6:170 BW Pro, [49] in het bijzonder de bescherming van de schadelijdende derde,
beperktte worden opgevat in de zin dat het beroep van een formele werkgever op die ontsnappingsmogelijkheid niet snel zal slagen en dat ‘globale zeggenschap’ (in de woorden van Brunner weergegeven in randnummer 3.12 hiervoor) ofwel ‘algemene bevoegdheden’ (zoals geformuleerd door Uw Raad in het arrest inzake de
Rotterdamse politieagent; zie randnummer 3.13 hiervoor) van de formele werkgever volstaan voor het aannemen van de voor art. 6:170 lid 1 BW Pro vereiste zeggenschap in het kader van het functioneel verband. Deze conclusie strookt ook met de feitenrechtspraak, waaruit eveneens blijkt dat de ontsnappingsmogelijkheid zelden wordt aanvaard [50] en wordt breed gedragen in de doctrine. [51]
JMV/Zurich-arrest heeft Uw Raad het volgende over het zeggenschapsvereiste van art. 6:170 lid 1 BW Pro overwogen:
A-G] (al dan niet) aan BAM uit te lenen en hem zo nodig niet (langer) op te roepen. Voor ondergeschiktheid is volgens onderdeel 2.1 vereist dat de aansprakelijk gehouden partij jegens de persoon die de fout heeft begaan een instructiebevoegdheid bezit of hem enige aanwijzingen en bevelen kan geven. Onderdeel 2.2 klaagt dat uit de bevoegdheid van JMV om de betrokken WTB-er al dan niet uit te lenen en zo nodig niet (langer) op te roepen niet volgt dat JMV die instructiebevoegdheid had.
(…)
JMV/Zurich-arrest. Zo heeft Bosschaart naar aanleiding van dit arrest opgemerkt:
JMV/Zurichhet volgende afgeleid:
JMV/Zurichals volgt geduid:
A-G] van ‘in beginsel’ spreekt. Onder welke omstandigheden een uitzondering kan worden gemaakt, zal de praktijk moeten uitwijzen. Gelet op de ruime uitleg van de vereisten van art. 6:170 BW Pro en de daaraan ten grondslag liggende beschermingsgedachte, zal dat echter niet snel het geval zijn.” [55]
JMV/Zurich-arrest onderschrijf ik. Tegen deze achtergrond kom ik nu toe aan de bespreking van de onderdelen.
enige zeggenschap in algemene zinbestond. Het onderdeel stelt dat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting over art. 6:170 lid 1 BW Pro. Het onderdeel beroept zich zowel op de wetsbepaling zelf als op de rechtspraak van Uw Raad. Wat dat laatste betreft wijst het onderdeel erop dat voor het ontbreken van deze aansprakelijkheid alleen is vereist dat bij degene in wiens dienst de ondergeschikte stond geen (enkele) zeggenschap bestond over de gedragingen van de werknemer
waarin diens fout was gelegen. [58]
Rotterdamse politieagent(zie randnummer 3.13 hiervoor) als het arrest inzake
JMV/Zurich(zie randnummer 3.16 hiervoor) kan worden afgeleid dat algemene werkgeversbevoegdheden van Unique volstaan voor het zeggenschapsvereiste in het kader van het functioneel verband als bedoeld in art. 6:170 lid 1 BW Pro. [59] De door het onderdeel verdedigde rechtsopvatting zou leiden tot een veel te ruim bereik van de ‘ontsnappingsmogelijkheid’ voor aansprakelijkheid van de formele werkgever op de voet van art. 6:170 lid 1 BW Pro, hetgeen niet in overeenstemming is met de rationes van de bepaling en deze rechtsopvatting kan ook daarom niet worden aanvaard (zie ook randnummer 3.15 hiervoor).
payrollingwaarvan in dit geval sprake was. [61] Tegen deze achtergrond getuigt het oordeel van het hof dat de ‘zeggenschap’ van Unique (de desbetreffende schorsingsbevoegdheid) in beginsel toereikend is voor aansprakelijkheid op de voet van art. 6:170 lid 1 BW Pro van een onjuiste rechtsopvatting omdat de zeggenschap betrekking moet hebben op gedragingen waarin de fout was gelegen en niet op andere (formele) vormen van zeggenschap, aldus het onderdeel. [62] Het onderdeel stelt verder dat de verwijzing van het hof naar het arrest van Uw Raad inzake
JMV/Zurichniet steekhoudend is, omdat in die zaak niet een payrollovereenkomst centraal stond en in die zaak wel sprake was van zeggenschap die betrekking had op de werkzaamheden waarin de fout van werknemer was gelegen.
payrollingwaarvan in het onderhavige geval sprake zou zijn, stuit af op hetgeen ik in randnummers 3.2-3.7 hiervoor opmerkte. De argumenten die het onderdeel inbrengt tegen de verwijzing van het hof naar het arrest inzake
JMV/Zurichzijn niet steekhoudend. Het is op zichzelf juist dat in die zaak geen sprake was van een payrollovereenkomst, maar dat neemt niet weg dat uit dat arrest van Uw Raad wel kan worden afgeleid dat geen vereiste is dat de formele werkgever (JMV) daadwerkelijk zeggenschap had over de inhoud en wijze van werken van de medewerker (de WTB-er). Om herhaling te voorkomen verwijs ik naar randnummers 3.16-3.21 hiervoor. Het oordeel van het hof is in zoverre dus ook niet gebrekkig of onvoldoende gemotiveerd.
A-G):
Kortom,
met betrekking tot de gedragingen van [betrokkene 1] waarin diens fout was gelegen, bezat Unique geen enkele zeggenschap.”
een bevoegdheid had bijvoorbeeld om een formele schorsing op te leggen” (zie randnummer 3.31 hiervoor). Het hof kon dat voorbeeld dus in rov. 3.16 noemen als een algemene werkgeversbevoegdheid van Unique. Hierbij komt dat het slechts één voorbeeld van de bevoegdheden van Unique als formele werkgever betrof. Zoals volgt uit randnummers 3.32-3.33 hiervoor had Unique naast een schorsingsbevoegdheid bijvoorbeeld ook de ontslagbevoegdheid. Voor zover aangenomen moet worden dat die bevoegdheden van Unique slechts in overleg met de Gemeente uitgeoefend konden worden, doet dat ook niet af aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof. In een driehoeksrelatie zoals de onderhavige payrollconstructie met zich bracht (zie randnummers 3.2-3.3 hiervoor) is het immers niet onlogisch dat de formele werkgever in overleg treedt met de materiële werkgever alvorens haar formele werkgeversbevoegdheden zoals schorsing of ontslag van de werknemer uit te oefenen. Het aldus blijkende samenspel tussen de formele en de materiële werkgever onderstreept wat mij betreft juist het uitgangspunt van cumulatieve aansprakelijkheid op de voet van art. 6:170 lid 1 BW Pro (zie randnummer 3.10-3.11 hiervoor) waaraan niet snel getornd kan worden (zie randnummer 3.15 hiervoor).
zijn oordeel over de 170-aansprakelijkheid” buiten de rechtsstrijd tussen partijen is getreden. Het onderdeel stelt ter onderbouwing van dat standpunt dat de Gemeente bij akte van 29 mei 2019 de grondslag van aansprakelijkheid van Unique uit hoofde van art. 6:170 lid 1 BW Pro expliciet heeft ingetrokken. [67] Volgens het onderdeel vormde de vraag of Unique op grond van art. 6:170 lid 1 BW Pro aansprakelijk zou zijn jegens [betrokkene 2] niet langer onderdeel van de rechtsstrijd en stond het het hof niet vrij te oordelen dat Unique aansprakelijk zou zijn op grond van die wetsbepaling. Volgens het onderdeel heeft Unique het processuele standpunt van de Gemeente in hoger beroep opgevat en mogen opvatten in de zin dat zich volgens de Gemeente geen aansprakelijkheid op de voet van art. 6:170 BW Pro bij Unique manifesteerde. [68]
aanspraken van derden in verband met schade”.In rov. 3.14-3.17 van het bestreden arrest heeft het hof vervolgens de vraag beantwoord of die schade is “
ontstaan door of in verband met de (…) Diensten” van Unique als bedoeld in artikel 15 lid 2 van Pro de algemene inkoopvoorwaarden. Ook in het kader van die uitlegvraag kwam in de beoordeling van het hof art. 6:170 BW Pro weer om de hoek kijken. Het hof heeft vastgesteld dat ook Unique als formele werkgever, naast de Gemeente als materiële werkgever, op de voet van art. 6:170 BW Pro aansprakelijk is voor de desbetreffende schade. Dit bracht volgens het hof (rov. 3.16, slot) “
automatisch” met zich dat de schade die is ontstaan als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van [betrokkene 1] moet worden aangemerkt als schade ontstaan door of in verband met de Diensten van Unique als bedoeld in artikel 15 lid 2 van Pro de algemene inkoopvoorwaarden. Dat laatste dient volgens mij begrepen te worden tegen de achtergrond van de (ruime) uitleg die de Gemeente aan het vrijwaringsbeding heeft gegeven, namelijk dat ook indien het functioneel verband als bedoeld in art. 6:170 BW Pro ten aanzien van Unique ontbreekt, nog steeds aangenomen zou kunnen worden dat de schade is ontstaan “
door of in verband met de (…) Diensten” van Unique. [69] Het hof heeft dus niet de vordering van de Gemeente jegens Unique toegewezen op de door het hof onderkende in hoger ingetrokken grondslag van art. 6:170 BW Pro. In dat geval zou het hof wel buiten de rechtsstrijd zijn getreden. Het hof heeft iets anders gedaan, namelijk in het kader van de uitleg van het vrijwaringsbeding van artikel 15 lid 2 van Pro de algemene inkoopvoorwaarden bezien wat volgens de wettelijke aansprakelijkheidsregels (art. 6:170 BW Pro) zou hebben gegolden en die beoordeling vervolgens betrokken bij de uitleg van het vrijwaringsbeding. [70] Dat stond het hof vrij. Het hof is daarmee in elk geval niet buiten de rechtsstrijd tussen partijen getreden.
(…)”
ontstaan door of in verband met de Producten en/of Diensten” [72] van Unique aan de Gemeente gebrekkig gemotiveerd.
payroll-administratie. [74] Volgens het onderdeel heeft [betrokkene 1] dus zonder de dienstverlening van Unique in contact kunnen komen met jeugdigen onder wie [betrokkene 2] en heeft [betrokkene 2] een aanspraak kenbaar kunnen maken (vertegenwoordigd door zijn ouders) ongeacht de
payrollingvan Unique. Noch de aanspraak noch de schade is volgens het onderdeel ontstaan door of in verband met de diensten van Unique aan de Gemeente. De door de Gemeente bepleite uitleg die het hof volgens het onderdeel heeft overgenomen, kan daarom niet als juist worden aanvaard. [75] Zonder nadere toelichting en onderbouwing, die ontbreken, is het andersluidende oordeel van het hof niet begrijpelijk, aldus het onderdeel.
payrollingen anderzijds de schade en/of aanspraak. Bij gebreke van het condicio sine qua non-verband is volgens het onderdeel logischerwijs niet voldaan aan het vrijwaringsbeding inhoudend dat sprake zou moeten zijn van een schade (of aanspraak) door of in verband met de diensten van Unique.
Haviltex-maatstaf beroept het onderdeel zich verder (in randnummer 7.5. van de procesinleiding) op de overige omstandigheden van het geval. Het onderdeel stelt dat het hof met het oordeel dat Unique redelijkerwijs niet mocht verwachten dat geen beroep zou kunnen worden gedaan op het vrijwaringsbeding omdat Unique niet de werving en selectie heeft gedaan, is voorbijgegaan aan de kern van het betoog van Unique die volgens het onderdeel inhoudt dat het antwoord op punt 115 in de Nota van Inlichtingen erop wijst dat een contractuele aansprakelijkheid van Unique slechts aan de orde is indien zij in enig opzicht toerekenbaar is tekortgeschoten en dat zij heeft aangevoerd dat daarvan geen sprake is en ook de Gemeente niet heeft gesteld dat Unique een van de verplichtingen uit artikel 11 van Pro de raamovereenkomst zou hebben geschonden. [77] Doordat het hof aan deze kern van het betoog van Unique is voorbijgegaan, is de uitleg van het hof onbegrijpelijk, aldus het onderdeel.
de verplichtingen van het uitzendbureau” en dat daarbij door de Gemeente is aangegeven “
dat schade die voortkomt uit niet nakoming” van die verplichtingen voor rekening komt van het uitzendbureau, maar heeft het hof verzuimd om hieraan de logische gevolgtrekking te verbinden dat Unique mede op basis van deze uitlatingen redelijkerwijs aan artikel 15 van Pro de algemene inkoopvoorwaarden de betekenis mocht toekennen dat deze aansprakelijkheidsbepaling uitsluitend is bedoeld voor situaties waarin aan Unique een concreet verwijt zou zijn te maken ter zake van de niet-naleving van contractuele verplichtingen. [78] Volgens het onderdeel ondersteunen deze uitlatingen de door Unique bepleite uitleg van artikel 15 van Pro de algemene inkoopvoorwaarden en heeft het hof niet (voldoende) inzichtelijk gemaakt waarom het toch tot een andere uitleg is gekomen, zodat de uitleg van het hof onbegrijpelijk althans gebrekkig gemotiveerd is. Dit wordt volgens het onderdeel niet anders doordat het hof in rov. 3.17 van het bestreden arrest heeft toegevoegd dat een en ander niet uitsluit dat ook schade als in casu aan de orde onder artikel 15 van Pro de algemene inkoopvoorwaarden valt. Doordat het hof hier de minst (althans een minder) logische betekenis heeft gehanteerd, is zijn uitlegoordeel gebrekkig gemotiveerd, aldus het onderdeel.
Haviltex-maatstaf (de maatschappelijke kring), de economische machtsverdeling in het voordeel van de Gemeente en in het nadeel van Unique, relevant. [79] Volgens het onderdeel had Unique uit de afwijzing van de Gemeente, in het licht van alle overige omstandigheden zoals in dit onderdeel genoemd, niet hoeven of behoren te begrijpen dat een aanspraak/schade als de onderhavige onder het bereik van artikel 15 van Pro de algemene inkoopvoorwaarden zou vallen.
in verband met schade ontstaan door of in verband met de (…) Diensten” van Unique als bedoeld in artikel 15 lid 2 van Pro de algemene inkoopvoorwaarden, in rov. 3.16 van het bestreden arrest de juiste uitlegmaatstaf [81] – de
Haviltex-maatstaf [82] – vooropgesteld en deze ook daadwerkelijk toegepast. In zoverre is het uitlegoordeel van het hof ook (terecht) onbestreden. Voor de goede orde merk ik nog op dat het hof in dit geval niet de uitlegtechniek van een ‘voorshands taalkundige’-uitleg heeft toegepast. [83] Het hof heeft weliswaar in rov. 3.16 van het bestreden arrest een groot gewicht toegekend aan (de taalkundige betekenis van) de bewoordingen van het desbetreffende beding, [84] maar is op basis van alle (relevante) feiten en omstandigheden [85] tot een definitief uitlegoordeel gekomen, namelijk de door de Gemeente bepleite ruime uitleg van het desbetreffende vrijwaringsbeding en dus niet de door Unique bepleite beperkte uitleg.
een specifiek (contractueel) causaliteitscriterium” bevat. Zoals het hof in rov. 3.17 van het bestreden arrest heeft overwogen, laten de bewoordingen van het desbetreffende beding er geen misverstand over bestaan dat aansprakelijkheid van Unique in beginsel reeds ontstaat indien een derde (in dit geval [betrokkene 2] en zijn ouders) aanspraak maakt “
in verband met schade ontstaan door of in verband met de diensten”. De bewoordingen van het desbetreffende beding duiden dus niet op een specifiek (contractueel) causaliteitscriterium maar hebben een (veel) ruimere strekking. [86] Het hof heeft bij zijn uitlegoordeel ook niet miskend dat [betrokkene 1] al enkele maanden op vrijwillige basis bij en voor de Gemeente werkzaam was voordat Unique op verzoek van de Gemeente de payrolldienst verleende (zie ook randnummers 1.4-1.5 hiervoor). Niet van belang is dat [betrokkene 1] zonder de dienstverlening van Unique in contact had kunnen komen met jeugdigen zoals [betrokkene 2] . Waar het volgens mij om gaat, is dat de aanspraak en/of de schade niet is ontstaan in 2010 (toen [betrokkene 1] als vrijwilliger van de Gemeente werkzaamheden verrichtte op Jeugdland), maar in 2013, oftewel in de periode dat hij bij Unique op de
payrollstond en Unique zijn (formele) werkgever was. Unique had [betrokkene 1] in de periode waarin [betrokkene 1] de fout heeft begaan immers bij wijze van
payrollingals uitzendkracht in de functie van dierenverzorger ter beschikking gesteld (als bedoeld in art. 7:690 BW Pro) aan de Gemeente. In zoverre was er, anders dan het onderdeel stelt, dus wel degelijk een verband met de dienstverlening van Unique. De bewoordingen van het desbetreffende beding doen dus niet af aan de door de Gemeente bepleite en door het hof aangenomen ruime uitleg. In cassatie kan overigens ook niet worden getoetst of die uitleg “
als juist” kan worden aanvaard. De toets is slechts of die uitleg niet onbegrijpelijk is (zie randnummer 3.47 hiervoor). Het oordeel van het hof behoeft geen nadere toelichting of onderbouwing om begrijpelijk te zijn.
et juist[is]
dat in deze punten van de Nota van inlichtingen in verband met artikel 15 van Pro de algemene inkoopvoorwaarden wordt gesproken over de verplichtingen van het uitzendbureau en wordt vermeld dat schade die voortkomt uit niet-nakoming daarvan voor rekening komt voor het uitzendbureau, (…)”.
nietaansprakelijk is voor schade van derden,
tenzijer sprake is van een tekortkoming van de leverancier) de (beperktere) strekking heeft die Unique thans bepleit. Zoals de Gemeente onderstreept, is dat voorstel door de Gemeente afgewezen en had Unique uit die afwijzing kunnen opmaken dat het vrijwaringsbeding niet de door haar verwachte beperkte strekking had. De Gemeente heeft in dit verband ter compensatie ingestemd met een beperking van de aansprakelijkheid (in artikel 3 van Pro de raamovereenkomst) tot één miljoen euro per gebeurtenis.”
minder logisch” is, maar juist aansluit bij de bewoordingen van het desbetreffende beding. Voor zover al sprake zou zijn van een minder logische uitleg maakt dat de door het hof gegeven uitleg ook nog niet onbegrijpelijk (zie ook randnummer 3.47 hiervoor).
enkele omstandigheid” die in de richting van de door de Gemeente voorgestane (en door het hof gevolgde) uitleg wijst. De klachten zien er verder aan voorbij dat in cassatie geen plaats is voor een feitelijke herbeoordeling van het gewicht dat aan alle door het hof in aanmerking genomen (relevante) omstandigheden moet worden toegekend. Het hof heeft de door het onderdeel benadrukte economische machtsverdeling in het voordeel van de Gemeente en in het nadeel van Unique bovendien uitdrukkelijk in zijn oordeel betrokken. [87]
in uitzonderlijke omstandigheden” kan slagen een te strenge onaanvaardbaarheidstoets heeft aangelegd, hetgeen volgens het onderdeel een onjuiste rechtsopvatting en onjuiste rechtstoepassing oplevert. [88] De motiveringsklacht voert aan dat het hof geen of onvoldoende acht heeft geslagen op een aantal door het onderdeel als essentieel aangemerkte stellingen, die in het onderdeel onder a. tot en met i., met verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties, zijn opgesomd. Volgens het onderdeel heeft het hof door in rov. 3.19 van het bestreden arrest slechts in algemene zin te verwijzen naar “
de door Unique genoemde omstandigheden” in het geheel niet inzichtelijk gemaakt welke omstandigheden zijn betrokken in de te verrichten afweging en om welke reden aan elk van de door Unique aangevoerde omstandigheden geen of onvoldoende gewicht zou toekomen. Het onderdeel stelt dat het oordeel van het hof over art. 6:248 lid 2 BW Pro aldus niet de motiveringstoets kan doorstaan.
testrenge onaanvaardbaarheidstoets heeft aangelegd. Volgens mij heeft het hof daarmee slechts de terughoudendheid tot uitdrukking willen brengen waarmee de maatstaf van art. 6:248 lid 2 BW Pro – de beoordeling met in achtneming van alle omstandigheden van het geval en van al hetgeen partijen in dit verband hebben aangevoerd of het beroep van de Gemeente op het vrijwaringsbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is – moet worden toegepast. [89] Die terughoudendheid geldt zeker in commerciële verhoudingen tussen professionele partijen, zoals aan de orde tussen de Gemeente en Unique. [90] Voor zover het onderdeel meer of anders leest in de door het hof gebezigde woorden “
in uitzonderlijke omstandigheden” gaat het dus uit van een verkeerde lezing van het bestreden arrest en faalt het daarmee bij gebrek aan feitelijke grondslag.
essentiëlestellingen of
relevanteomstandigheden. Voor zover het onderdeel (met de stelling onder a.) voortbouwt op de onderdelen I-III over art. 6:170 BW Pro geldt voorts dat het onderdeel deelt in het lot van die onderdelen. Voor zover het onderdeel (met de stelling onder b.) tot uitgangspunt neemt dat de door het hof in rov. 3.19 van het bestreden arrest vooropgestelde omstandigheid dat Unique als uitlener zelf ook (naast de Gemeente) jegens [betrokkene 2] en zijn ouders aansprakelijk is voor de door hen geleden schade hoe dan ook niet relevant is voor de onaanvaardbaarheidstoets kan Unique daarin ook niet worden gevolgd. Ik zie niet in waarom dat geen relevante omstandigheid kan zijn bij de onaanvaardbaarheidstoets. Het onderdeel stelt verder ook te hoge eisen aan de motiveringsplicht van het hof waar het aanneemt dat het hof er blijk van zou moeten geven welk gewicht het aan iedere afzonderlijke aangevoerde omstandigheid heeft toegekend. Een gezamenlijke weging van alle relevante omstandigheden van het geval volstaat. Het oordeel van het hof dat het beroep van de Gemeente op het vrijwaringsbeding niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is dus toereikend gemotiveerd.
A-G] (…)
A-G:]
Mr. Streefkerk [de advocaat van Unique,
A-G] heeft naar de Groene Serie verwezen. Het is juist niet zo dat verwacht mag worden dat de gemeente stukken opvraagt bij justitie. Dat is een uitzondering die zich hier niet voordoet. Bovendien krijgt de gemeente waarschijnlijk niet die stukken, want de gemeente is geen slachtoffer.
(…)
[Verklaring mr. Streefkerk, kenbaar uit p. 4 en 5 van het proces-verbaal,
A-G:]
In mijn conclusie van antwoord heb ik in het kader van het verzoek ex artikel 843a Rv verwezen naar de Groene Serie in twee voetnoten. Daaruit volgt dat wel kan worden verwacht van een betrokkene om stukken op te vragen bij justitie.
Ik hoor de gemeente zeggen dat Unique geen belang heeft bij die stukken. Unique heeft wel belang bij die stukken. In het kader van de onaanvaardbaarheidstoets zijn alle omstandigheden van het geval immers van belang. Daarom is ook het van belang om daadwerkelijk alles boven tafel te krijgen. Bijvoorbeeld het antwoord op de vraag hoe het vuurwerk is aangetroffen, maar ook of en hoe er mondelinge instructies zijn ver[s]trekt aan [betrokkene 1] en anderen over de omgang met jeugdigen. Er is dus een rechtmatig belang om de stukken te verkrijgen.
(…)
Nu mr. Endedijk [advocaat van de Gemeente,
A-G] expliciet verklaart dat de gemeente geen onderzoeksverslagen heeft, aanvaard ik dat en vervalt het verzoek om inzage in dergelijke bescheiden te geven[.] Het verzoek om stukken uit de strafzaak te verstrekken handhaaf ik wel[.] De gemeente is inderdaad geen slachtoffer, maar zij kan eenvoudig een machtiging krijgen van de ouders van [betrokkene 2] om de stukken op te vragen bij justitie.”
eenvoudig een machtiging[kan]
krijgen van de ouders van [betrokkene 2] om de stukken op te vragen bij justitie”. Het hof heeft ten slotte op die stelling van Unique gereageerd door in de kern te overwegen dat naar het oordeel van het hof van de Gemeente niet kan worden gevergd dat zij deze stukken opvraagt bij Justitie, daargelaten dat het de vraag is of Justitie die stukken aan de Gemeente zou verstrekken en die stukken vervolgens gedeeld zouden mogen worden met Unique, en daarom geconcludeerd dat de afwijzing door de rechtbank van de vordering op de voet van art. 843a Rv in stand zal blijven.
in dit gevalniet van de Gemeente kan worden gevergd. Het hof heeft zonder het recht te schenden tot dat oordeel kunnen komen. Inzage op de voet van art. 843a Rv kan op grond van de wettekst worden gevorderd
van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Die woorden hebben een ruime strekking; ook als de aangesproken partij de desbetreffende bescheiden niet fysiek ter beschikking heeft, maar deze
gemakkelijkvan een derde kan verkrijgen, kan de aangesproken partij gehouden zijn de desbetreffende bescheiden bij die derde op te vragen. [94] Het moge in dit geval zo zijn, zoals Unique heeft gesteld, dat de Gemeente gemakkelijk een machtiging van de ouders van [betrokkene 2] zou kunnen krijgen om de desbetreffende bescheiden bij Justitie op te vragen, maar de crux is dat die bescheiden daarmee, mede gelet op de strafrechtelijke context, niet gemakkelijk door de Gemeente (ook niet met een machtiging van de ouders van [betrokkene 2] ) van Justitie te verkrijgen zouden zijn. Daarop is door de Gemeente ook gewezen (zie randnummers 3.63-3.64 hiervoor). De Gemeente heeft immers gesteld dat zij de stukken uit het strafdossier die zij van [betrokkene 2] en zijn ouders heeft gekregen reeds in het geding heeft gebracht en dat verklaringen van medewerkers van de Gemeente daarvan geen deel uitmaakten.
ongemotiveerdis voorbijgegaan aan het betoog van Unique in haar memorie van antwoord, randnummer 11.5. Het hof heeft op dit punt weliswaar niet naar de memorie van antwoord van Unique verwezen, maar dat hoefde ook niet, omdat het standpunt van Unique over de machtiging van [betrokkene 2] en zijn ouders ook reeds in eerste aanleg door Unique was ingenomen (zie randnummer 3.64 hiervoor). Dat het hof daaraan niet ongemotiveerd is voorbijgegaan, heb ik in randnummer 3.66 hiervoor reeds uiteengezet.