Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
19 december 2023.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift gedurende zijn werkzaamheden als medewerker bij een notariskantoor. Hij vervalste en stelde diverse stukken op in samenwerking met een notaris over een periode van drie jaar, nadat hij al was ontzet uit het ambt van notaris.
Het hof legde een gevangenisstraf van dertien maanden op en een bijkomende straf van ontzetting uit het recht tot uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker en het anderszins verrichten van werkzaamheden op een notariskantoor of in de notariële (advies)praktijk voor vijf jaar. De verdachte stelde cassatie in tegen de formulering van de bijkomende straf.
De Hoge Raad oordeelt dat de strafbare feiten zijn gepleegd in de uitoefening van het beroep van notarieel medewerker en bevestigt dit oordeel. De Hoge Raad verduidelijkt dat de bijkomende straf moet worden verstaan als ontzetting uit het recht tot uitoefening van beroepen die verbonden zijn aan de notariële (advies)praktijk, en verwerpt het beroep voor het overige. Hiermee wordt voorkomen dat de ontzetting onterecht zou strekken tot werkzaamheden zonder verband met het notariaat.
De uitspraak benadrukt het belang van een nauwkeurige formulering van bijkomende straffen en bevestigt de mogelijkheid tot ontzetting uit het beroep wanneer strafbare feiten in dat kader zijn gepleegd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling en verduidelijkt dat de ontzetting uit het notarieel beroep beperkt blijft tot werkzaamheden verbonden aan de notariële (advies)praktijk.