ECLI:NL:HR:2023:1767

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2023
Publicatiedatum
15 december 2023
Zaaknummer
22/00793
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 SrArt. 28 SrArt. 235 SrArt. 325 Sr
Verwijzingen
10 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ontzetting uit notarieel beroep wegens medeplegen valsheid in geschrift

De verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift gedurende zijn werkzaamheden als medewerker bij een notariskantoor. Hij vervalste en stelde diverse stukken op in samenwerking met een notaris over een periode van drie jaar, nadat hij al was ontzet uit het ambt van notaris.

Het hof legde een gevangenisstraf van dertien maanden op en een bijkomende straf van ontzetting uit het recht tot uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker en het anderszins verrichten van werkzaamheden op een notariskantoor of in de notariële (advies)praktijk voor vijf jaar. De verdachte stelde cassatie in tegen de formulering van de bijkomende straf.

De Hoge Raad oordeelt dat de strafbare feiten zijn gepleegd in de uitoefening van het beroep van notarieel medewerker en bevestigt dit oordeel. De Hoge Raad verduidelijkt dat de bijkomende straf moet worden verstaan als ontzetting uit het recht tot uitoefening van beroepen die verbonden zijn aan de notariële (advies)praktijk, en verwerpt het beroep voor het overige. Hiermee wordt voorkomen dat de ontzetting onterecht zou strekken tot werkzaamheden zonder verband met het notariaat.

De uitspraak benadrukt het belang van een nauwkeurige formulering van bijkomende straffen en bevestigt de mogelijkheid tot ontzetting uit het beroep wanneer strafbare feiten in dat kader zijn gepleegd.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling en verduidelijkt dat de ontzetting uit het notarieel beroep beperkt blijft tot werkzaamheden verbonden aan de notariële (advies)praktijk.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/00793
Datum19 december 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 23 februari 2022, nummer 23-001849-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover de bijkomende straf verder strekt dan de ontzetting van het recht tot de uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker of daarmee vergelijkbare werkzaamheden in de notariële (advies)praktijk, te verstaan dat de bijkomende straf de ontzetting van het recht tot de uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker of daarmee vergelijkbare werkzaamheden in de notariële (advies)praktijk betreft, en het beroep voor het overige te verwerpen.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de door het hof opgelegde bijkomende straf van ontzetting van het recht van de verdachte tot de uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker en het anderszins verrichten van werkzaamheden op een notariskantoor of in de notariële (advies)praktijk.
2.2.1
Het hof heeft het vonnis in eerste aanleg bevestigd behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en met aanvulling van gronden ten aanzien van de bijkomende straf van ontzetting. De verdachte is veroordeeld voor het in de periode van 1 december 2014 tot en met 8 december 2017 ‘medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd’ en ‘valsheid in geschrift, meermalen gepleegd’ tot een gevangenisstraf van dertien maanden. Daarnaast is aan de verdachte de volgende bijkomende straf opgelegd:
“Ontzet verdachte uit het recht tot de uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker en het anderszins verrichten van werkzaamheden op een notariskantoor of in de notariële (advies)praktijk, voor 5 (vijf) jaar.”
2.2.2
De strafmotivering van het hof houdt onder meer in dat de verdachte gedurende een periode van drie jaren in zijn functie als medewerker bij een notariskantoor, in samenwerking met een notaris, diverse stukken heeft vervalst, dan wel valselijk heeft opgemaakt.
2.2.3
De door het hof bevestigde motivering in het vonnis van de opgelegde ontzetting van de uitoefening van een beroep houdt het volgende in:
“Verdachte is in 2013 door de Kamer voor het Notariaat ontzet uit het ambt van notaris. Desondanks is verdachte opnieuw en tegen de beroepsregels in tóch bij een notariskantoor gaan werken. Er zijn bovendien aanwijzingen dat verdachte ook na het aan het licht komen van deze zaak nog notariële werkzaamheden heeft verricht. De rechtbank vindt het daarom van belang dat aan verdachte het door de officier van justitie gevraagde beroepsverbod wordt opgelegd, zodat hij op geen enkele manier nog in het notariaat werkzaam zal kunnen zijn. De rechtbank zal verdachte dan ook voor 5 jaar ontzetten uit het recht tot de uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker en het anderszins verrichten van werkzaamheden op een notariskantoor of in de notariële (advies)praktijk. De wettelijke grondslag voor dit verbod is te vinden in de artikelen artikel 28, eerste lid, onder 5°, 235 en 325 van het Wetboek van Strafrecht.”
2.2.4
Het hof heeft in zijn arrest deze motivering als volgt aangevuld:
“De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep de wens uitgesproken om op enig moment weer aan het werk te kunnen in het notariaat. Nu de verdachte tot twee maal toe betrokken is geweest bij gesjoemel met derdengelden op een notariskantoor, is de oplegging van een beroepsverbod – dat alle functies binnen een notariskantoor omvat – geboden. Op die manier wordt de verdachte, in elk geval in de eerste precaire periode, niet blootgesteld aan de verleiding opnieuw dergelijke strafbare feiten te plegen. Daarbij gaat het hof ervan uit dat het beroepsverbod de huidige werkzaamheden van de verdachte binnen zijn juridische advieskantoor niet raakt. Het is niet de bedoeling met het beroepsverbod de huidige werkzaamheden van de verdachte te doorkruisen, omdat die werkzaamheden uitsluitend het bieden van advies en geen notariële activiteiten behelzen.”
2.3
Voor de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende bepalingen van belang:
- artikel 28 lid Pro 1, aanhef en onder 5°, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr):
“1. De rechten waarvan de schuldige, in de bij de wet bepaalde gevallen, bij rechterlijke uitspraak kan worden ontzet, zijn:
5°. de uitoefening van bepaalde beroepen.”
- artikel 235 lid 1 Sr Pro:
“Bij veroordeling wegens een der in deze titel omschreven misdrijven, kan de schuldige worden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft.”
De misdrijven valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift zijn in dezelfde titel van het Wetboek van Strafrecht opgenomen als artikel 235 Sr Pro.
2.4
Op grond van artikel 28 lid 1 Sr Pro kan een verdachte worden ontzet van onder meer het recht bepaalde beroepen uit te oefenen. Die mogelijkheid bestaat in de bij de wet bepaalde gevallen en als het strafbare feit is begaan in de uitoefening van dat beroep. Deze ontzetting moet betrekking hebben op het recht op uitoefening van een beroep dat in voldoende verband staat met het beroep waarin het strafbaar feit is begaan. (Vgl. HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1378.)
2.5.1
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte, nadat hij eerder was ontzet van het ambt van notaris, gedurende drie jaren in zijn functie als medewerker bij een notariskantoor, in samenwerking met een notaris, diverse stukken heeft vervalst dan wel valselijk heeft opgemaakt. Daarin ligt als niet onbegrijpelijk oordeel van het hof besloten dat de verdachte de strafbare feiten heeft begaan in de uitoefening van het beroep van notarieel medewerker. De tegen dit oordeel gerichte klacht van het cassatiemiddel faalt.
2.5.2
De door het hof opgelegde bijkomende straf betreft de ontzetting van het recht tot uitoefening van ‘het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker en het anderszins verrichten van werkzaamheden op een notariskantoor of in de notariële (advies)praktijk’. Het cassatiemiddel klaagt terecht dat de formulering van deze bijkomende straf, voor zover de ontzetting betrekking heeft op het anderszins verrichten van werkzaamheden ‘op een notariskantoor’, niet voldoet aan het onder 2.4 genoemde vereiste dat de ontzetting betrekking moet hebben op het recht op uitoefening van een beroep dat in voldoende verband staat met het beroep waarin het strafbaar feit is begaan. Nu uit de onder 2.2.3 en 2.2.4 weergegeven overwegingen echter volgt dat het hof met de bijkomende straf niet het oog heeft gehad op werkzaamheden ‘op een notariskantoor’ die geen verband houden met de notariële (advies)praktijk, zal de Hoge Raad de zaak zelf afdoen door de formulering ‘het anderszins verrichten op een notariskantoor of in de notariële (advies)praktijk’ te verstaan als ‘enig ander beroep dat inhoudt dat met de notariële (advies)praktijk verbonden werkzaamheden worden verricht’.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verstaat de door het hof opgelegde bijkomende straf zo dat de verdachte wordt ontzet van het recht tot uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker en enig ander beroep dat inhoudt dat met de notariële (advies)praktijk verbonden werkzaamheden worden verricht;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 december 2023.