Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
5.Beslissing
22 december 2023.
Hoge Raad
In deze zaak staat de aansprakelijkheid van accountants centraal die een goedkeurende verklaring hebben afgegeven bij de geconsolideerde jaarrekening 2010 van een bouwbedrijf, waarin fraude bleek te zijn gepleegd. Eisers, de accountants, werden door verweerders aangesproken wegens onrechtmatige daad en schadevergoeding na de overname van aandelen in een dochtervennootschap die later failliet ging.
De rechtbank stelde de eisers aansprakelijk en het hof bekrachtigde dit oordeel, waarbij het hof oordeelde dat verweerders op de goedgekeurde jaarrekening mochten vertrouwen en dat het nalaten van een due diligence onderzoek niet automatisch eigen schuld oplevert die het causaal verband doorbreekt. Verweerders werden veroordeeld in de proceskosten van het incidentele hoger beroep.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van beide partijen. De Hoge Raad bevestigde dat het hof geen te hoge eisen heeft gesteld aan het beroep op eigen schuld en dat het causaal verband tussen de onrechtmatige daad van de accountants en de schade van verweerders niet is doorbroken door het achterwege laten van nader onderzoek. Ook werd geoordeeld dat de proceskostenveroordeling in het incidentele hoger beroep terecht is, ondanks het ontbreken van griffierecht voor incidenteel hoger beroep, omdat de griffierechtaansprakelijkheid voortvloeit uit de vermeerdering van de eis in het principale beroep.
De Hoge Raad veroordeelde beide partijen in de kosten van het cassatiegeding en bevestigde daarmee het arrest van het hof van 17 mei 2022.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de aansprakelijkheid van de accountants, waarbij eigen schuld van verweerders het causaal verband niet doorbreekt.