In deze cassatieprocedure tussen Spirits International B.V. en de Russische staatsonderneming FKP Sojuzplodoimport stond de beoordeling van proceskostenvergoeding centraal, mede in het licht van de Handhavingsrichtlijn intellectuele eigendom.
De Hoge Raad verwees naar eerdere vonnissen en arresten en oordeelde dat het hof terecht de indicatietarieven van 2017 toepaste bij de begroting van proceskosten, ondanks dat partijen uitgingen van de versie van 2015. De klachten dat het hof het rechtszekerheidsbeginsel en hoor en wederhoor zou hebben geschonden, werden verworpen.
Wel stelde de Hoge Raad vast dat het toegewezen bedrag van €40.000 niet voldeed aan het criterium van een significant en passend deel van de redelijke kosten, gezien de omvang en complexiteit van de zaak en de niet-bestreden specificaties van FKP. Daarom werd het arrest van het hof vernietigd voor zover het proceskosten betrof en werd een vergoeding van €80.000 toegewezen.
Daarnaast veroordeelde de Hoge Raad Spirits in de proceskosten van het cassatiegeding, waarbij een bedrag van €65.000 aan salaris en €865,34 aan verschotten werd vastgesteld, vermeerderd met wettelijke rente bij niet tijdige betaling.
Deze uitspraak benadrukt het belang van redelijkheid en evenredigheid bij proceskostenvergoedingen in intellectuele eigendomszaken en bevestigt het belang van de Handhavingsrichtlijn en de indicatietarieven als richtsnoer.