ECLI:NL:HR:2023:203

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 februari 2023
Publicatiedatum
10 februari 2023
Zaaknummer
22/00705
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitspraak Gerechtshof Amsterdam inzake vennootschapsbelasting en heffingsrente over 2004

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam beroep in cassatie ingesteld inzake de voor het jaar 2004 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting en de beschikking over heffingsrente. De zaak betreft meerdere eerdere procedures die door de Hoge Raad zijn vernietigd en verwezen voor verdere behandeling, waarna het Hof Amsterdam een uitspraak deed die nu in cassatie is bestreden.

De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende tegen het hof beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was het niet noodzakelijk om de motivering van het oordeel te geven, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie ongegrond verklaard en ziet geen aanleiding om proceskosten aan belanghebbende toe te wijzen. Hiermee blijft de uitspraak van het Hof Amsterdam ongewijzigd in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/00705
Datum10 februari 2023
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 4 januari 2022, nr. 20/00653 [1] , betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2004 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.

1.Het eerste en tweede geding in cassatie

Bij arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1850, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, nrs. 14/00956 tot en met 14/00964 [2] , met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest. Bij arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1668, is vernietigd de uitspraak van het laatstgenoemde Hof, nr. 18/00575 [3] , met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2.Het derde geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door J. Berns, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P2], heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Staat (de Minister voor Rechtsbescherming), vertegenwoordigd door S.J.H. van der Poel, heeft een verweerschrift ingediend.

3.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2023.